maandag 6 september 2010

Gastblog: Van turquoise tot indigo: de verschillende facetten van het liberalisme in kort bestek

Mijn goede vriend en collega Xavier Meulders heeft alweer een intellectuele voltreffer bij elkaar geschreven. In deze tekst geeft hij eerst een algemene filosofische inleiding in het concept ideologie, en meer specifiek in bepaalde facetten van het liberalisme. Daarna geeft hij meer informatie bij verschillende facetten van het liberalisme. Ik kan deze tekst alleen maar hartelijk aan bevelen - meer zelfs; 'k denk dat hij zelfs grondige studie vereist. Eventuele op- of aanmerkingen die ik zelf heb, zal ik (misschien) op latere datum formuleren.

Van turquoise tot indigo: de verschillende facetten van het liberalisme in kort bestek

I. HET LIBERALISME ALS IDEOLOGIE EN FILOSOFIE

Als algemeen metafysisch principe geldt dat de werkelijkheid bestaat als een ontologisch domein dat onafhankelijk van het menselijke subject bestaat. Kennis, volgens deze aloude klassieke metafysische opvatting, bestaat er dan in dat het menselijk subject een juist oordeel weet te vellen over welbepaalde, onafhankelijk van hem bestaande, standen van zaken in die werkelijkheid, i.e., dat zijn oordeel in overeenstemming is met die welbepaalde stand van zaken. Het klassieke probleem met wat in de geschiedenis der wijsbegeerte geboekstaafd staat als de correspondentietheorie van de waarheid, is echter dat het menselijke subject deze werkelijkheid ook in welbepaalde predikaten moet kunnen uitdrukken; predikaten waarvoor de menselijke taal – die als intersubjectief artefact doorheen de geschiedenis is ontstaan – vaak tekortkomt. Vandaar dan ook dat de brug tussen het menselijk oordelend subject en de werkelijkheid op zich slechts partieel kan worden gelegd, en nooit volledig kan zijn. Die volledigheid, die zo kenmerkend is aan ieder wetenschappelijk discours dat kennis wenst te verwerven, kan slechts zo adequaat mogelijk in kaart worden gebracht door het hanteren van heldere en ondubbelzinnige definities. De vraag naar wat iets is dient op een zo objectief en verhelderend mogelijke manier te worden beantwoord. Indien gevraagd wordt ‘wat is dat?’ – terwijl gewezen wordt naar een doorzichtig object in de muur – en de respondent antwoordt: ‘een venster’, dan gaan we ervan uit dat beide deelnemers aan de dialoog weten wat de talige uitdrukking ‘venster’ en haar referent be-tekenen[1].

Van vensters, stoelen, bomen en zeeën kunnen we echter objectieve en welomlijnde definities hanteren. En ook van niet-materiële ‘objecten’ - zoals ‘het getal π’ , ‘de cirkel’ of ‘de cosinus’ – kunnen apodictische (doch ideële) concepten worden gevormd. Maar wat met sociale fenomenen? Denken we hierbij dan maar aan ‘de maatschappij’, ‘waarde’, ‘geld’, enz. Kunnen hiervan ook dezelfde soort objectieve definities worden gegeven? Of zijn het louter temporele en contingente constructies die binnen een welbepaald historisch en cultureel tijdruimtelijk kader zijn ontstaan, en ook op eenzelfde manier zullen vergaan?

Deze bijdrage is allerminst bedoeld om de lezer te vervelen met een regionale ontologie van sociale fenomenen, en de mogelijkheid deze te beschrijven (wat wel degelijk kan, maar dit is een methodologische discussie waarvoor deze bijdrage allerminst geschikt is). Maar wat dan met ideologieën, i.e. bepaalde wijzen, methodes of ingesteldheden waarmee naar die werkelijkheid wordt gekeken? Kunnen zij objectief voorgesteld of gedefinieerd worden? Het antwoord is neen!

Ideologieën zijn immers niet zozeer objecten – of: ‘standen van zaken’ – die met een wetenschappelijke blik kunnen worden geanalyseerd. Zij fungeren immers net zélf als een set van categorieën waarmee naar de werkelijkheid wordt gekeken. Dit ‘kijken’ is trouwens niet meer langer een objectief schouwen der dingen – een zuiver theoretische contemplatie – maar zelf ook normatief van aard (vs. descriptieve (sociale) wetenschap). Wie bijvoorbeeld spreekt over ‘een sociaal-democratische kijk op sociale ongelijkheid’ of ‘een falangistische visie op de nationale eenheid van Spanje’ weet dat beide fenomenen – sociale ongelijkheid resp. de Spaanse natie – niet met een rationele, koele blik zullen worden benaderd. Vanuit deze ideologieën zullen immers ook welbepaalde normatieve ideeën – “beleidsvoorstellen” – ontspruiten die deze sociale fenomenen kunnen veranderen.

Ook het liberalisme is zo’n ideologie dat de werkelijkheid met een subjectieve blik probeert te vatten en te veranderen. Maar ‘hét liberalisme’ is natuurlijk een zeer grote vlag die meerdere ladingen kan dekken. Om te beginnen vertrekt het liberalisme – even aangenomen dat hiervan een welbepaalde definitie kan worden gegeven – uit van het principe van het methodologisch individualisme, en kunnen derhalve alleen individuele personen een welbepaald fenomeen conform hun eigen conceptuele kaders percipiëren. Reeds in de premisse van het methodologisch individualisme ligt besloten dat liberale ideologie gewoonweg niet kan bestaan: dit zou immers een breuk zijn met dit principe van methodologisch individualisme dat – voor alle duidelijkheid – geen ideologisch maar een louter metafysisch (feitelijk) principe vormt. Dit betekent echter allerminst dat ik hier een pleidooi voor een definitorisch skepticisme wil houden. Kunnen we bijvoorbeeld niets zeggen over een kunststroming zoals, pakweg, het impressionisme? Dat zou een nogal boude uitspraak zijn! Natuurlijk kunnen we dit. Maar we weten ook best wel dat een definitie geven van dit begrip iets anders inhoudt dan het louter beschrijven van een fysisch object of de waarheidswaarde van een logische propositie: de analyst dient er rekening mee te houden dat deze kunstbeweging wordt geschraagd door bepaalde individuen, die elk vanuit een eigen leefwereld opereren en op die manier invulling geven aan hun eigen artistieke expressie. Vanzelfsprekend komen de categorieën die deze leefwereld opvullen niet zomaar uit het niets opduiken, en zijn zij intersubjectief geconstitueerd. Wie de individuele werken van Cézanne, Monet en Manet analyseert, zal dus al snel merken dat er “een” welbepaald (overkoepelend) paradigma is waarbinnen al deze kunstenaars opereren, en dat het dus mogelijk wordt om van deze schilders een figuratief (epistemologisch) “familieportret” te maken, dat kan illustreren wat “het impressionisme” als kunststroming zoal inhoudt[2]

Dit geldt dus evenzeer voor het liberalisme. Het is een ideologie – ook deze stelling zullen we zo dadelijk nuanceren – waarvan slechts middels het schetsen van “familiegelijkenissen” kan worden gesteld wat nu de overeenkomsten zijn tussen de ideeën van pakweg neefje John Stuart en oom Murray. Die zijn er zeker.

Laat ons dus de schier onmogelijke taak een totaalbeeld van wat dat liberalisme nu zoal inhoudt aanvatten. We botsen dan al quasi onmiddellijk op het probleem waarmee iedere ideologie kampt: namelijk dat het zichzelf zal moeten legitimeren. Een welbepaalde ideologie – als raamwerk van concepten om de sociale wereld prescriptief in te richten – kan dit dan op twee manieren doen, namelijk de politieke en de filosofische. Hiermee duiden we inderdaad op een dichotomie die teruggaat op de antieke socratische wijsbegeerte, namelijk de tweespalt tussen doxa (het domein van de loutere mening) en epistemè (letterlijk: het domein van de kennis, i.e. van de bereflecteerde waarheid). Met de politieke legitimering van een ideologie doelen we inderdaad op de legitimering van deze of gene (ideologische) stelling door middel van het politieke bedrijf in de dagdagelijkse betekenis. In dit stadium geschiedt deze legitimering op een veelal naïeve, weinig bereflecteerde wijze. Via de politieke legitimeringsmethode wordt de Blijde Boodschap handig verpakt, en met sluwe oratorische truuks verkocht door deze of gene charlatan die meent het grote gelijk aan zijn of haar kant te hebben. Voor menigeen klinkt het allicht vertrouwelijk: een bepaald welbespraakt politicus verschijnt in beeld, en vertelt dat “zijn partij” gelijk heeft, “omdat” deze nu eenmaal in de meerderheid zit. Of “omdat” hij deze of gene mening is aangedaan. Of “omdat” hij nu eenmaal spreekt in de naam van “het algemeen belang”. Het spel van woord tegen wederwoord en moddercatch tegen pek en veren is inderdaad de manier waarop de politiek, in haar vuige betekenis, jammer maar helaas te werk gaat. En vanzelfsprekend heeft het liberalisme, tot op de dag van vandaag, geprobeerd zich op dit niveau te legitimeren door middel van politieke actie (het oprichten van politieke partijen, politieke machtsdeelname, mediacampagnes, de oprichting van liberale vakbonden en mutualiteiten, enz.)

Wegens het groot aandeel aan “gesofistikeerde sofistiek” betreffende het politiek liberalisme, zal het vervolg van dit essay gewijd zijn aan de filosofische legitimering van het liberalisme. We moeten de lezer er dan ook echter ook wel op voorhand voor waarschuwen dat de legitimering van het liberalisme via 'de politiek' niet mag worden geconflateerd met haar legitimering via 'het politieke', wat een totaal andere zaak is zoals we nog zullen zien. Bovendien kan zo’n politieke legitimering slechts geschieden indien zij – ook al is het maar via vage ‘afschaduwingen’ – toch nog ietwat reminiscent is aan de filosofische wortels waarop zij is gebaseerd.

Hoe kan het liberalisme zich nu echter filosofisch legitimeren? Hiervoor is het noodzakelijk om nog even terug te koppelen naar het ideologische vraagstuk. In ons ordinaire taalgebruik worden begrippen als 'ideologie', 'religie', 'godsdienst' en 'filosofie' vaak als onderling inwisselbaar gehanteerd (bv. een bedrijf dat zegt een “klantvriendelijke filosofie” te propageren; of een school die beweert in een les godsdienst ook andere “geloofsovertuigingen en filosofieën” aan bod te laten komen, enz.) . Dit is echter een zeer grove vergissing, en doet het woord 'filosofie' allerminst recht: filosofie is in eerste instantie een kritische activiteit, dat net een welbepaalde overtuiging kritisch gaat ondervragen, en al naargelang de uitkomst van dit onbevooroordeelde onderzoek, deze overtuiging kan staven of verwerpen. Een typevoorbeeld is natuurlijk de middeleeuwse scholastiek, waarin een set van waarden die voor waar werden aangenomen (de Openbaring zoals vervat in het Oude en Nieuwe Testament) voor een kritisch voetlicht werd geplaatst aan de hand van antieke metafysische concepten, en op die manier werden gestaafd (bv. de Godsbewijzen van Thomas van Aquino, die louter berusten op metafysische premissen en logische gevolgtrekkingen hieruit). Een taak die natuurlijk niet gefinaliseerd was, toen in de Moderne Tijd ook die metafysische concepten zélf op hun beurt kritisch werden ondervraagd.

De filosofische methode van hypothese, vraag, antwoord, conceptuele verheldering, discussie, debat,... staat dus net volledig haaks op de begrippen godsdienst, overtuiging of... ideologie! Hebben we dus niet te doen met een oxymoron wanneer iemand beweert een “liberale filosofie” te willen verdedigen? Toch niet! Het is immers perfect mogelijk om bepaalde ideeën en vooronderstellingen tegen het licht van filosofische concepten te houden, om op die manier op een verantwoorde en bereflecteerde manier om te gaan met deze vooronderstellingen. Wanneer de reflectie, en mogelijk zelfs de herziening van bepaalde ideeën die voor waar werden aangenomen, intreedt; kan gesproken worden over een filosofische legitimatie. Sommige auteurs – voornamelijk binnen het hedendaagse natuurrecht – hebben zelfs getracht uitsluitend door middel van filosofische concepten bepaalde ideeën van het liberalisme te vertolken, zonder beroep te moeten doen op bepaalde vooronderstellingen die vooreerst dienen 'bewezen' te worden. Op die manier hebben zij het niveau van het liberalisme, als ideologie, geprobeerd te overstijgen.

Het liberalisme als filosofische reflectie tracht natuurlijk ook normatief op te treden, door bepaalde filosofische concepten die de (sociale) werkelijkheid structureren verder uit te diepen. Immers, filosofie probeert steeds een totaalbeeld van de werkelijkheid te vatten, door zichzelf in verschillende subdisciplines op te delen (in de normatieve of praktische filosofie: de politieke filosofie, de rechtsfilosofie, de ethiek, de filosofie van de economie,...). Op die manier hebben diverse liberale filosofische auteurs getracht het liberalisme te verdedigen door dit toe te passen op een welbepaald deelaspect van die sociale werkelijkheid, die we ruwweg in drie domeinen kunnen opsplitsen:

a) de sociaal-economische werkelijkheid: het intersubjectief (“catallactisch”) proces van de verdeling van schaarse middelen tussen diverse actoren op een 'markt'. Deze werkelijkheid wordt (waardevrij) in kaart gebracht door de economische wetenschap, maar heeft volgens sommige liberale auteurs eveneens normatieve implicaties.

b) de politieke werkelijkheid (bedoeld wordt: “het politieke”, in ruime zin) : het intersubjectief domein waarin getracht wordt te omlijnen wat het rechtvaardige precies inhoudt. Met andere woorden: aan welke absolute en apodictische criteria moet een bepaalde intersubjectieve handeling voldoen vooraleer zij ook als ‘juist’ kan worden bestempeld? Zoals we zullen zien, heeft de politiek-filosofische legitimatie (te onderscheiden van de eerder genoemde ‘ruwe’ politieke legitimatie) van het liberalisme een veel smallere basis dan de ethische, maar is zij daarom ook veel strenger in haar oordelen.

c) de ethische werkelijkheid: het subjectief en intersubjectief domein waarin het goede, in de brede zin, precies inhoudt. In de liberale traditie heeft het ethische een veel bredere rijkwijdte dan het politieke, omdat het de grenzen van het rechtvaardige – dat louter een grondbasis voor intersubjectief handelen wil aanbieden – ver poogt te overschrijven, door het liberalisme te stoelen in bredere interpersoonlijke processen die ons handelen moreel goed of fout maken (brede vs. smalle ethiek)


Met deze driedeling in gedachten, kunnen we dan ook als volgt een schematische voorstelling geven van diverse voorname liberale stromingen:

Wie goed oplet, zal inderdaad al snel merken dat dit schema abstractie maakt van het belangrijke onderscheid dat vaak wordt gemaakt tussen zogenaamd klassiek-liberalisme en progressief-liberalisme; een distinctie die sinds de 19de eeuw gemeengoed is geworden in het liberale gedachtegoed. Dit onderscheid is inderdaad zeer belangrijk, maar zowel via een sociaal-economische, een politieke als een ethische benadering vinden we vertegenwoordigers van dit zogenaamde progressief-liberalisme, zoals we nog zullen zien. De distinctie tussen klassiek-liberalisme en progressief-liberalisme is overigens ook de reden waarom ik ervoor heb geopteerd om denkers als John Locke en Immanuel Kant bij het natuurrechtsdenken te plaatsen, en – binnen het domein van het politieke – een aparte sectie 'sociaal contractsdenken' voor te behouden aan John Rawls. Dit kan op het eerste zicht nogal arbitrair lijken, of strijkt misschien in tegen enkele algemene beginselen uit de geschiedenis der politieke wijsbegeerte. Immers, in de meeste cursussen politieke filosofie worden John Locke en Immanuel Kant (samen met de nogal dubieuze Thomas Hobbes) als typevoorbeelden van het sociaal contractsdenken naar voren geschoven. De klassieke definitie van het sociaal contract luidt dan ook dat dit een pact is tussen vorige, huidige en komende generaties om een staat – een geweldsmonopolie – te stichten die welbepaalde natuurlijke rechten, die aan eenieder toekomen, moet waarborgen. Maar zowel voor Locke en Kant alsook voor antieke en hedendaagse verdedigers van het natuurrecht, zijn dit (voornamelijk) zogenaamde negatieve rechten die moeten worden gevrijwaard, i.e. recht van dwang, diefstal en geweld ('van' = gevrijwaard van) . Progressieve liberalen, zoals Rawls, verdedigen echter ook zogenaamde positieve rechten, zijnde rechten op bepaalde (schaarse) goederen die, eveneens, door de staat moeten worden gewaarborgd. Het sociaal contract in de Rawlsiaanse betekenis is dan ook veel verregaander dan de Lockeaanse of Kantiaanse variant, daar in dit model ook welbepaalde sociaal-economische rechten moeten worden gegarandeerd. Vandaar dus dat mijn onderscheid tussen 'natuurrecht' en 'sociaal contract' niet zozeer is gebaseerd op het onderscheid tussen anarchisten en minarchisten (verdedigers van een minimale nachtwakersstaat); maar wel op het onderscheid tussen klassiek-liberalisme en progressief-liberalisme, en het soort rechten dat uit beide benaderingen voortvloeit.

Bovendien zal het de alerte lezer niet zijn ontgaan dat dit schema eveneens abstractie maakt van de ‘historiciteit van het liberalisme’. Het liberalisme wordt inderdaad vaak voorgesteld als een ideologie die ontstaan is op een bepaalde tijd en plaats, waarmee dan het tijdvak van de Verlichting wordt bedoeld. Ten tijde van die (18de eeuwse) Verlichting zou er dan, volgens de standaardweergave, zowel een continentale (voornamelijk Franse) tak van het liberalisme kunnen worden opgetekend; alsook een Anglosaksische die, zoals de naam het al zegt, vooral van grote invloed was in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika. De continentale tak van die Verlichting zou dan vooral een product van een optimistisch rationalisme zijn geweest, en vertolkt door denkers als de Markies de Condorcet en Jacques Turgot , aldus resulterend in de Franse Revolutie van 1789[3]. De Anglosaksische traditie van het liberalisme vindt dan weer zijn oorsprong in het moderne empirisme van John Locke en David Hume, en van invloed zijn geweest op de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. Deze dichotomie tussen Engeland en Frankrijk, tussen empirisme en rationalisme, tussen voorzichtige trial and error en de idee van de maakbaarheid van de samenleving; is er een die inderdaad zeer recurrent is. Maar vooreerst gaat zij er inderdaad vanuit dat het liberalisme een product is van de Verlichting. Indien we het woord liberalisme echter etymologisch ontleden, dan merken we dat deze teruggaat op het Romeinse idee van de liberi ; zij die vrij geboren zijn; een idee die van groot belang is in het Oud-Romeinse juridische onderscheid tussen het ius gentium en het ius civile. Niet alleen wegens louter etymologische redenen, ook wegens meer inhoudelijke redenen is het gewoonweg arbitrair en artificieel om de opkomst van het liberalisme te laten samenvallen met de (contingente) opgang van de burgerij in de Moderne Tijd in West-Europa. Verschillende ideeën die we vandaag de dag met het liberalisme zouden identificeren, werden in de Oudheid en zelfs in de middeleeuwen evenzeer geformuleerd. Vandaar dat we in ons overzicht de contingentie van de historiciteit eveneens achterwege laten.

Met deze toelichting kunnen we dan ook onze voorliggende classificatie wat meer gedetailleerd bestuderen en uitwerken.

II. HET LIBERALISME VANUIT SOCIAAL-ECONOMISCH STANDPUNT

De economische wetenschap bestudeert het geheel van menselijke handelingen in een wereld gekenmerkt door materiële schaarste, en hoe de mens deze schaarse middelen alloceert, of beter gezegd kan alloceren, en wat hiervoor de mogelijke uitkomsten zullen zijn. Als wetenschap is de economie zuiver waardevrij: de economist kan perfect beschrijven wat de gevolgen zijn van, pakweg, de toename van de geldhoeveelheid in een economie; zonder hierover per defintie ook een oordeel te vellen. Net zoals een kernfysicus perfect de (natuurkundige) instructies kan geven over hoe een atoombom te maken, zonder zich daarmee uit de spreken over de wenselijkheid van het gebruik van kernwapens.

Niettemin is de economische wetenschap nu net het typevoorbeeld van een discipline die vaak over de lijntjes van het zuiver descriptieve kleurt. De menselijke conditie wordt immers tot in den treure gekenmerkt door de confrontatie met materiële schaarste. Hoe kunnen we die schaarste dan overwinnen? Dit is echter reeds een normatieve en zelfs ethische stellingname: menen dat de schaarste overwonnen moet worden, is iets anders dan stellen dat deze schaarste overwonnen zou kunnen worden. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het utilitarisme het ethische paradigma bij uitstek was dat het nauwst wist aan te sluiten bij die economische wetenschappen.

Op het eerste zicht heeft dat utilitarisme maar weinig met het liberalisme van doen. Haar geestelijke vader, Jeremy Bentham (1748 – 1832), kan immers tevens de architect van de huidige sociale welvaartsstaat worden genoemd. Dit heeft vooral te maken met het kwantitatieve karakter waarmee Bentham zijn utilitarisme illustreerde. Volgens Bentham zijn er immers niet minder dan zeven criteria waaraan een handeling moet voldoen opdat het ‘utiliteit’ of ‘nut’ met zich zou kunnen meebrengen. Deze variabelen zijn tevens kwantificeerbaar, en transponeerbaar naar het niveau van de maatschappij in het algemeen. Zodoende wordt Benthams utilitarisme ook wel eens act- of daad-utilitarisme genoemd, in die zin dat de kwantificeerbare som van de menselijke handelingen uitmaakt van goed of slecht is voor de samenleving.

Bij John Stuart Mill – puur toeval dat we hem als eerste liberale denker bespreken – valt er echter een kentering te bespeuren. Hoewel Mill, als leerling van Bentham, inderdaad nog steeds het utiliteitsprincipe met hand en tand verdedigt, merkt Mill op dat een louter kwantificeerbare benadering van dit beginsel onmogelijk is. Mill voert daarentegen een kwalitatief onderscheid in de classificatie van verschillende vormen van genot. Er zijn immers ‘hogere’ en ‘lagere’ vormen van genot, bijvoorbeeld intellectuele versus louter fysieke bevrediging. Dit heeft Mill ertoe verleid te stellen dat het beter is een ongelukkig mens te hebben dan een bevredigd varken.

De kentering ligt er in dat Benthams act-utilitarisme – die louter kwantitatief van aard was – wordt omgezet in een regelutilisme, dat stelt dat handelen conform het (kwalitatief) utiliteitsprincipe tot een algemene regel moet worden verheven. Niettemin blijven er nog steeds ernstige sporen van de aanvankelijke Benthamiaanse positie overeind: zo stelt Mill dat de algemene utiliteitsregel van toepassing is op de gehele samenleving, en dat het geluk derhalve aan een ‘zo groot mogelijk aantal personen’ moet toekomen. Is dit niet in tegenspraak met Mills ‘kwalitatieve’ wende in zijn benadering van het utilitarisme, die in feite de onmogelijkheid van een soort ‘maatschappelijke rekenkunde’ met zich meebracht? Het klopt inderdaad dat Mills ethiek, en tevens Mills liberalisme, nogal dubieus wordt om te definiëren. We nemen als voorbeeld Mills beroemde harm principle, dat Mill formuleerde in zijn essay On Liberty uit 1859. Naar het schadeprincipe wordt zeer gretig verwezen door zowel progressief- als klassiek-liberalen; omdat de ‘vooronderstellingsloze’ formulering ervan inderdaad een principe huldigt dat, normaliter, door iedere liberaal wordt verdedigd: niemand heeft het recht om andermans vrijheid in te perken, indien de uitoefening van zijn vrijheid die van anderen niet schaadt. Met de formulering van het harm principle wilde Mill paal en perk stellen aan allerlei vormen van paternalisme die inbreuk maken op de menselijke individuele vrijheid. Toch is er een zekere schemerzonde verbonden aan het Mills verwoording ervan: dat de grenzen van jouw vrijheid reiken tot waar die van iemand anders beginnen is voor Mill immers slechts de uitkomst van een utilistische calculus, en niet gegrondvest in een of ander onveranderlijk natuurrecht of in een categorische imperatief. Bijgevolg wordt het schadebeginsel door Mill soms ook geformuleerd als de morele plicht om zo te handelen dat anderen geen schade ondervinden van jouw handelen, met dien verstande dat wanneer – door utiliteitscalculus! – zou blijken dat de ander minder ‘utiliteit’ (of: schade!) zou verkrijgen door jouw niet-handelen; je volgens Mill wel degelijk verplicht bent die handeling toch te stellen. Op die manier koppelt Mill dus positieve rechten aan het schadebeginsel: zo is het volgens Mill in strijdt met het schadebeginsel om een kind dat in het water verdrinkt, niet te redden. Dit is natuurlijk een misschien wat triviaal voorbeeld, en wellicht zullen velen onder u gechoqueerd te horen dat vele verdedigers van het klassiek-liberalisme inderdaad menen dat iemand nooit (zeker niet juridisch) verplicht kan worden om dat kind te redden. Want waar ligt dan de grens aan de idee van positieve rechten? Zijn we dan, naar analogie, ook verplicht om een dakloze onderdak te bieden, een hongerige wat te eten aan te bieden, enz. ? Voor Mill bleek het alleszins onmogelijk om de grens precies te trekken, wat dus maakt dat de aanvankelijke klassiek-liberale formulering van het schadebeginsel uitmondde in een zogenaamd ‘progressief-liberalisme’ , waarvan Mill de stichter was, en stelt dat een individu maar vrij kan zijn indien ‘de samenleving’ – het geheel van individuele entiteiten – hem ook bepaalde (sociaal-economische) rechten verleent.

Niettemin zijn er ook, vooral in de 20ste eeuw dan, klassiek-liberale verdedigers van het utilitarisme geweest. De voornaamste onder hen is, naar onze mening, de Oostenrijkse econoom Ludwig von Mises (1881 – 1973), tevens stichter van de zogenaamde Oostenrijkse economische School. Vanuit het principe van die Oostenrijkse School is ‘waarde’ steeds subject-gerelateerd, en kan het dus onmogelijk worden gekwantificeerd; laat staan op maatschappelijke schaal worden berekend. Op die manier verlaat Mises expliciet het paradigma van Bentham dat nog stelde dat ‘nut’ op een ‘maatschappelijk’ niveau kon worden berekend. Waarde is en blijft steeds gerelateerd aan het subject.

Mises gaat er echter wel vanuit dat ieder mens zijn persoonlijke, materiële situatie zal proberen te verbeteren; en economische vrijheid speelt hierbij volgens Mises dan ook een sleutelrol. Het is immers enkel in een economisch vrije samenleving waarin private eigendomsrechten gewaarborigd zijn, dat menselijke welvaartsmaximalisatie – conform de methodologie van de Oostenrijkse School blijft dit voor Mises echter een onbekende x – zich kan manfisteren, zoals Mises had proberen aan te tonen in 1920 bij de publicatie van zijn essay “Economische Calculatie in de Socialistische Samenleving”[4]. Mises’ liberalisme vloeit dus rechtstreeks uit zijn economisch denken: “Liberalism is a doctrine directed entirely towards the conduct of men in this world. In the last analysis, it has nothing else in view than the advancement of their outward, material welfare and does not concern itself directly with their inner, spiritual and metaphysical needs. It does not promise men happiness and contentment, but only the most abundant possible satisfaction of all those desires that can be satisfied by the things of the outer world.” (Ludwig von Mises, Liberalism, p. 4)

Nog een groot verschilpunt met Bentham én Mill is dat voor Mises uiteindelijk het individu de toetssteen vormt van zijn utilitaristisch denken: het is enkel zijn persoonlijk geluk dat moet worden ‘gemaximaliseerd’, en niet dat van de samenleving of wie anders dan ook. Op die manier verwerpt Mises dan ook de idee van ‘positieve rechten’, zoals die door Bentham en vooral Mill werden geformuleerd. In Mises’ visie wordt het utilitarisme dan ook omgebogen van een act-utilitarisme zoals Bentham en deels nog Mill voorstonden, naar een regel-utilitarisme: het volstaat niet, en het is zelfs onmogelijk, om een mathematische calculus te maken van diverse subjectieve preferenties. Vandaar dat het Misesiaans utilitarisme stelt dat welvaartsmaximalisatie een algemene regel is die, teneinde het persoonlijk geluk te bevorderen, kan en mag worden gevolgd. Het berust op de hypothetische assumptie dat als je geïnteresseerd bent in het maximaliseren van je eigen (materiële) welvaart, dat je dan andermans persoonlijke eigendomsrechten moet respecteren; omdat het slechts in een vrije markt waarin eigendomstitels worden verhandeld zo is dat die welvaart kan worden gemaximaliseerd. Uiteraard kunnen er vanzelfsprekend serieuze vraagtekens worden geplaatst bij het (Misesiaanse) utilitarisme, waarbij vooral de (hedendaagse) liberale natuurrechtsdenkers opvallende critici zijn.

III. HET LIBERALISME VANUIT POLITIEK OOGPUNT

III.1. Het klassieke en middeleeuwse natuurrecht

In de rechtsfilosofie wordt het natuurrecht vaak in contrast geplaatst met het positieve recht. Het laatste is het “recht” zoals we dit in codificaties, wetboeken, grondwetten, internationale verdragen, enz. Het positieve recht is derhalve louter gestoeld op conventie: een heerser, vorst, staat,… vaardigt een bepaalde wet uit die welbepaalde positieve rechten – van het Latijnse ponere: stellen, plaatsen,… - verleent aan zijn onderdanen; behorende tot deze of gene gemeenschap of staat. Het feit dat het positieve recht conventioneel is, betekent echter ook dat het op eender welk ogenblik terug kan ingetrokken of gewijzigd worden.

Maar indien het positieve recht conventioneel is, betekent dit dan dat er geen enkel niet-contingent rechtsbegrip in de wereld bestaat dat onveranderlijk is? Bestaan er algemeengeldende principes die het recht ook effectief rechtvaardig maken? Bestaat er een onderscheid tussen de positieve wet en een onveranderlijk recht; dat recht genoemd dient te worden zelfs wanneer de positieve wet niet meer bestaat? Deze gedachte werd reeds in de Griekse Oudheid naar voren geschoven door de tragedieschrijver Sophokles (496 – 406 v. Chr) in diens Antigone: het verhaal vertelt over Eteokles en Polyneikes, twee broers die streden om de troon van Thebe, maar uiteindelijk beiden het leven in de strijd. Creon, de nieuwe koning van Thebe, beveelt dat Eteokles een plechtige begrafenis met de nodige sacrale luister krijgt, maar dat het dode lichaam van Polyneikes – die als landverrader werd beschouwd – op het slagveld moet blijven liggen, zodat het geleidelijk aan verteerd zou worden door insecten, wormen en roofvogels. Antigone, de zus van Polyneikes, staat er echter op dat zijn lichaam plechtig wordt begraven, omdat een ‘hogere en goddelijke morele wet’ haar dit verplicht te doen. Maar wat zal ze nu doen? Enerzijds is er die conventionele wet, zoals opgelegd door koning Creon (‘nomos’); anderzijds het natuurrecht dat haar dwingt een begrafenis voor haar overleden broer te organiseren (‘physis’). Antigone kiest voor dat laatste, wat haar vanzelfsprekend de furie van Creon oplevert.

Op meer filosofisch vlak is het natuurrecht, of vormen ervan, ondermeer verdedigd geweest door de sofisten en Aristoteles. De meest verhelderende bijdrage komt echter allicht van de Stoïcijnen (Zeno van Citium, Seneca, Cicero,…). Het Stoïcijnse natuurrecht is rechtstreeks gebaseerd op haar kosmogonie: volgens de Stoa is de kosmos een geordend mechanisme dat doordesemd is van het ‘pneuma’, het ‘vuur’ of de ‘levensadem’ die de wereldorde beheerst, en onveranderlijke wetmatigheden aan de kosmos oplegt. Ook de mensheid heeft volgens de Stoa deel aan die onveranderlijke wetmatigheid, waardoor de Stoa zich – allicht als eerste antieke wijsgerige stroming – opwerpt als verdediger van het kosmopolitisme: de wereldburger erkent het conflict niet als een rechtmatige daad, omdat dit indruist tegen de rede die de kosmos beheerst en begrijpt.

In de middeleeuwen wordt het natuurrecht, vanzelfsprekend, expliciet met een christelijk-theologisch jasje gestoken. Volgens Thomas van Aquino (1225 – 1274) kan de rede de principes van het natuurrecht achterhalen, maar gezien niet alle mensen over eenzelfde feilloos gebruik van hun redelijke vermogens beschikken, zijn deze principes geopenbaard in de Decaloog van Mozes. Thomas maakt hier onderscheid tussen de lex naturalis en de lex humana. Toch is de natuurwet in de thomistische traditie geen welomlijnd, afgesloten systeem: zij stelt dat de mens verplicht is het goede te doen en het slechte te mijden, maar wat die twee begrippen nu precies inhouden, kan niet uit deze formule worden afgeleid. Vandaar dan ook dat aan de menselijke wet een zeer ruime plaats wordt geboden.

III.2. Het moderne natuurrecht

Het moderne natuurrechtsdenken valt min of meer samen met de pogingen die in de Moderne Tijd werden geleverd om de wereldlijke macht te legitimeren. Deze drang tot legitmatie hing immers samen met de gestaag groeiende macht van de wereldlijke overheid, ten nadele van de Kerk, vanaf de 14de eeuw. Immers, macht hebben is één ding, maar die macht ook effectief omzetten in gelegitimeerd gezag een ander. Vandaar dat voor het eerst de idee van een wereldlijk ‘bonum commune’ terug op het voorplan werd gesteld door de moderne natuurrechtsdenkers, i.e. de bescherming het persoonlijke lijf en leed tegen de allesverslissende oorlog van allen tegen allen. Deze gedachte is inderdaad typisch gelinkt aan de filosoof Thomas Hobbes, die in de vorst de sterfelijke God zag om de mens voor zijn medemensen te beschermen.

De reden waarom Hobbes echter vaak niet wordt opgenomen in het canon van het liberalisme, is omdat bij Hobbes de idee van subjectieve rechten nagenoeg onbestaande is. Hobbes’ voert immers een quasi-consequentialistisch pleidooi door te stellen dat de natuurtoestand moet worden opgeheven, omdat anders alle vormen van kennis, kunde, economie,… onbestaande zullen blijven.

Het is pas bij John Locke (1632 – 1704) dat die idee van subjectieve rechten zou opduiken; ofschoon het Lockeaanse natuurrecht – in tegenstelling tot Hobbes – niet in seculiere termen wordt uitgedrukt. Daarentegen maakt Locke in de Two Treatises of Government veelvuldig gebruik van theologische verwijzingen. De aarde, door God geschapen, wordt in ‘bruikleen’ gemeenschappelijk aan de mensheid geschonken. Maar de mens kan deze aardse goederen ook tot de zijne maken, door zijn arbeid hiermee te vermengen. Het aanvankelijke ‘goederencommunisme’ dat door God werd ingesteld wordt op die manier opgeheven: door de toevoeging van arbeid aan de onbepaalde materie, maakt de mens dat welbepaalde goed tot het zijnde (‘homesteading’). Locke voegt hier niettemin twee voorwaarden aan toe: vooreerst mag men maar zoveel goederen eigen maken, zolang generaties die na jou volgen ook voldoende reserves ter beschikking hebben om zelf aan homesteading te doen. En ten tweede blijft ook de homesteader uiteindelijk niets anders dan een vruchtgebruiker: de uiteindelijke eigendomstitel blijft nog steeds in handen liggen van God.

Tot slot is ook de figuur van Immanuel Kant (1724 – 1804) onontbeerlijk in ons overzicht. De kantiaanse ethiek staat geboekstaafd als een plichtsethiek: een morele handeling is volgens Kant maar moreel te noemen wanneer deze niet door een of andere drijfveer, maar om plicht omwille van de plicht wordt uitgevoerd. Op die manier komt Kant via een nogal gecompliceerde filosofische redenering die we hier wegens plaatsgebrek niet verder zullen verhelderen tot de formulering van de Categorische Imperatief: handel steeds zo dat jouw maxime (een handeling) tot algemene wet zou worden verheven.

Aldus is de Categorische Imperatief louter een formeel criterium om een handeling als ‘moreel’ of ‘goed’ te bestempelen. Maar volgens Kant heeft deze ook politieke consequenties die leiden tot een materiële (substantiële) normatieve ordening. Immers, er bestaan volgens Kant rechten die mij a priori toekomen, zijnde mijn persoonlijke vrijheid en de vrijheid-in-gelijkheid die ik met anderen deel op intersubjectief niveau. Uit die vrijheid vloeit ook een noodzakelijk recht op private eigendom, volgens Kant. Indien dit eigendomsrechten immers zou worden ontkend, dan is de persoonlijke vrijheid (die Kant situeert in het rechtmatig gebruik van de eigen praktische rede!) in tegenspraak met zichzelf, want dan zou er geen enkele vorm van uiterlijke vrijheid nog mogelijk zijn. Aldus is het recht op private eigendom eveneens met apodictische zekerheid geldig. Het is dan ten slotte aan de staat om die rechten te vrijwaren.

III.3. Het hedendaagse natuurrecht

Kunnen het klassieke, middeleeuwse en het moderne natuurrecht nog gelezen worden als pogingen om het wereldlijke gezag en de positieve wet een legitieme grond aan te bieden, dan wordt binnen de liberale traditie deze poging expliciet verlaten in het hedendaagse natuurrecht. Voor hedendaagse natuurrechtsdenkers als Murray N. Rothbard, Hans-Hermann Hoppe en Frank van Dun vormen de begrippen recht en staat niet meer of niet minder dan een contradictie. Die visie vloeit voort uit de harde realiteit van de geschiedenis dat alle pogingen om zogenaamde minimale nachtwakersstaten die slechts menselijke vrijheid, private eigendommen en de naleving van verbintenissen dienden te waarborgen, mislukt zijn. Stelden moderne natuurrechtsdenkers zoals Locke en Kant nog dat er slechts zoveel natuurlijke vrijheid aan de staat moet worden afgedragen als nodig om een vrije samenleving te waarborgen, dan menen de hedendaagse natuurrechtstheoretici dat het simpelweg naïef is te denken dat men zomaar een luciferdoosje aan een peuter kan geven, zonder dat deze op zeer korte termijn het hele gebouw in lichterlaaie zet.

Bovendien waren klassieke en moderne natuurrechtsdenkers veelal vaag in hun omschrijvingen over welke individuele rechten mensen nu zoal zouden beschikken, en vooral wat de geijkte methode is om tot een deductie van die rechten te komen. Vaak werd hiervoor beroep gedaan op metafysische en theologische vooronderstellingen die echter hun geldigheid maar behielden zolang de redenering geschiedde binnen het paradigma van deze of gene natuurrechtstheorie. Hedendaagse natuurrechtsdenkers – in het bijzonder Hoppe en Van Dun – hebben echter gepoogd om dit methodologische euvel te overkomen door het natuurrecht te gronden in een strenge wetenschap, namelijk de argumentatie-ethiek.

De argumentatie-ethische benadering gaat ervan uit dat we intersubjectieve normen slechts kunnen opstellen middels de redelijke dialoog. De term is misschien wat misleidend, omdat het hier geen effectieve dialoog met de gehele mensheid betreft (dit wordt door o.m. Frank van Dun het consensusmodel genoemd, welke stelt dat een norm pas gerechtvaardigd is wanneer zij de goedkeuring draagt van iedereen, wat echter een schier onmogelijke taak is), maar wel een demarcatiecriterium die kan uitmaken welke normen wél of niet rechtsgeldig zijn. Volgens Van Dun wordt iedere mogelijke dialoog immers gekenmerkt door de menselijke redelijkheid: wij behoren ons redelijk gedragen, wat – kort gezegd – betekent dat wij bijvoorbeeld steeds de waarheid dienen na te streven, wat op zijn beurt een respect voor de wetten van de logica en enkele metafysische principes (zoals het identiteitsbeginsel: A = A) inhoudt. Op die manier reveleert enkel het klassiek-liberaal principe van individueel zelfbeschikkingsrecht zich als een rechtsgeldig principe[5].

IV. HET SOCIAAL CONTRACT: JOHN RAWLS

Indien John Rawls (1921 – 2002) kan gerekend worden tot de liberale familie, hebben we alleszins met iemand te maken die we veeleer bij het ‘progressief’ of ‘links’ liberale kamp kunnen plaatsen, en na een overzicht van Rawls’ denken in vogelvlucht, zal de lezer het wellicht niet verbazen dat Rawls zeker een haast even grote invloed heeft uitgeoefend op het sociaal-democratisch gedachtegoed. Voor Rawls staat immers terug de problematiek van sociale rechtvaardigheid op de voorgrond. Deze problematiek volgt voor Rawls echter niet vanuit een obsessioneel marxistisch uitgangspunt van een sociaal-economisch gelijkheidsstreven, maar heeft wel degelijk het individu, als drager van bepaalde rechten, als uitgangspunt.

Rawls’ politieke filosofie start immers wel degelijk met het liberty principle , dat stelt dat eenieder het recht op bepaalde persoonlijke en politieke vrijheden heeft. Dit principe is voor Rawls het eerste principe van rechtvaardigheid. Maar er is ook een tweede rechtvaardigheidsprincipe, namelijk het verschil-principe (difference principle) . Dat stelt dat sociaal-economische ongelijkheden in een samenleving toegelaten zijn, indien zij ten bate zijn van de minder bedeelden in de samenleving (maximin-principe) .

Men kan zich nu natuurlijk wel afvragen waarom Rawls zoveel belang hecht aan aan het principe van een rechtvaardige verdeling. Hiervoor introduceert Rawls de idee van een sluier van onwetendheid en de originele positie: vanuit deze positie zouden we, hypothetisch, niet weten met welke gaven en kansen we zouden worden geboren. We zouden geen weet hebben in wat voor een soort familie we zouden worden geboren, noch iets weten over onze fysieke en mentale gezondheid, enz. Vanuit deze hypothese, aldus Rawls, moeten we zien hoe we de wereld zouden kunnen inrichten opdat we, zelfs wanneer we in barslechte omstandigheden ter wereld zouden komen, toch nog over voldoende startkansen en middelen (‘primary goods’) zouden beschikken. Vandaar dat we in deze bijdrage enkel de naam van Rawls – en niet die van Locke of Kant – verbinden met die van het sociaal contract; omdat de Rawlsiaanse staatsopvatting niet langer meer die van een nachtwakersstaat is, maar die van een verzorgingsstaat die zich ook inlaat met een zogenaamde billijke verdeling van bepaalde schaarse goederen.

V. TRADITIONALISME EN LIBERALISME: F.A. HAYEK

We hebben in onze inleiding gewezen op de dichotomie tussen ‘Angelsaksische’ en ‘continentale’ benaderingen van het liberalisme. Hoewel deze tweespalt niet volledig is om een totaalbeeld van het liberale denken te krijgen, is zij wel nuttig om het liberalisme van Friedrich von Hayek (1899 – 1992) mee aan te duiden. Hayek schrijft zich immers volledig in de zogenaamde ‘common sense’-traditie van Verlichtingsdenkers als Adam Ferguson en David Hume, die stelden dat het recht een product is dat via een methode van proberen, falen en slagen tot stand komt. Een typevoorbeeld is het Engelse common law-systeem, dat niet door bepaalde apriorische normen van goed en kwaad tot stand is gekomen, maar net zeer gestaag en organisch gegroeid is doorheen de geschiedenis.

Volgens Hayek is het immers onmogelijk om een soort van apriorisch rechtssysteem met het oog van de rede uit te spinnen: het recht toespitsen op één welbepaald Archimedisch punt, en daaruit allerlei normen deduceren, botst immers met het kennisprobleem. Het is een onmogelijke taak om diverse subjectieve voorkeuren en referenties in één welbepaald institutioneel kader te steken, en dit geldt voor Hayek dus ook voor het recht. Vandaar dat Hayek het recht dus inderdaad ziet als een organisch gegroeid geheel; een resultate van een spontane orde (‘spontaneous order’). In zijn rechtstheoretisch hoofdwerk Law, Legislation and Liberty (1973) voert Hayek dan ook een onderscheid tussen taxis en cosmos: het eerste is het geheel van ‘gecreëerd’ of ‘intentioneel door mensen opgericht’ recht; dat zich uit in diverse vormen van rechtelijke en politieke instituties; de tweede term verwijst naar een soort van cultuurrecht (in feite: gewoonterecht) dat doorheen de loop van de geschiedenis is ‘gegroeid’. Het liberale denken van Hayek toont dus ook duidelijke verwantschappen met het conservatisme, in de traditie van de Ierse filosoof Edmund Burke (1729 – 1797).


VI. DEUGDETHISCHE PARADIGMA’S BINNEN HET LIBERALISME

De deugdethiek heeft binnen het liberalisme slechts vanaf de 20ste een sterke opleving gekend, in het bijzonder door de werken van de Russisch-Amerikaanse filosofe Ayn Rand (1905 – 1982) . Binnen de algemene wijsgerige traditie wordt het concept van de deugdethiek nog steeds het meest gelinkt met Aristoteles. De Randiaanse invulling van dit begrip is echter, op zijn zachtst gezegd, nogal deviant te noemen van de aanvankelijke Aristotelische formulering.

Zowel bij Aristoteles als bij Rand zijn ‘het ethische’ en ‘het politieke’ twee begrippen die in elkaars vaarwater liggen. Dit komt omdat, zeker bij Aristoteles, zowel het ethische als het politieke (‘het leven in de polis’) in elkaars vaarwater liggen: zij zijn gefundeerd op een zogenaamde brede invulling van het ethische, wat betekent dat de ethiek niet fungeert als loutere conflictbeheersing (= de politieke benadering van het moderne en hedendaagse natuurrechtsdenken) , maar is gesitueerd in een breder ‘telos’ of doel: ethisch leven, is steeds leven in een bepaalde gemeenschap, en in overeenstemming met de rede die tot een deugdzaam leven leidt. Het is enkel op die manier, aldus Aristoteles, dat een goed leven – of eudaimonia – kan geschieden.

De klassieke Aristotelische variant van de deugdethiek lijkt dus zeer sterk anti-liberaal te zijn. Het individu wordt er immers ondergeschikt gemaakt aan de gemeenschap, en kan zelfs maar een volmaakt leven leiden in en bij gratie van die gemeenschap.

Rand keert echter die orde volledig om. Volgens haar ligt een moreel leven inderdaad besloten in een leven volgens de rede. Maar de rede laat de mens echter voor twee fundamentele keuzes: leven of niet leven. Slechts wie kiest om te leven, kiest volgens Rand voor een leven in overeenstemming met de rede. Dat leven kan echter alleen maar geschieden in een kader van een moreel egoïsme, i.e. door een radicale vorm van zelfbevestiging door het verwerven van eigendom. Rand verwerpt hierbij ook expliciet iedere vorm van altruïsme, dat zij ziet als een vorm van leven voor anderen in plaats van voor zichzelf ziet. Toch moeten hierbij twee bedenkingen worden geformuleerd: ten eerste maakt (zelfs) Rand een onderscheid tussen egoïsme en zelfzucht, waarbij het laatste verwijst naar een blinde drang om zichzelf te bevestigen, ook wanneer dit ten koste gaat van anderen. Het is dus wel degelijk het concept van rationeel egoïsme, dat minder verregaand is, dat Rand verdedigt. Ten tweede ziet Rand – conform haar Objectivistische[6] principes – de rationele zelfbestendiging als een objectief gebeuren. Dit betekent dat er dus ook objectieve principes zijn waaraan het menselijke egoïsme moet voldoen. Zo verwerpt Rand iedere vorm van hedonisme, omdat de hedonist niet ten volle zijn menselijke, rationale capaciteiten benut.

Het hoeft quasi geen betoog dat Rands ethiek uitmondt in een politieke filosofie waarin vooral het kapitalisme verdedigd wordt; als intersubjectief systeem om de eigen zelfbestendiging te kunnen realiseren.

Andere liberale vertegenwoordigers van de deugdethiek vinden we in de hedendaagse filosofen Douglas Rasmussen en Douglas Den Uyl. Zij schrijven zich veeleer in de oorspronkelijke Aristoteltische traditie, en menen dat het politiek liberalisme fungeert als een set van zogenaamde metanormen die de individuele eudaimonie (wat beide auteurs aanduiden met ‘human flourishing’) ten opzichte van die van anderen regelt. Terwijl de ethiek dus wel degelijk normatief is ten aanzien van het individuele sollen, is de politiek dit niet: zij vormt slechts een metanormatief kader, en derhalve is het liberalisme geen ethisch, maar een politiek-filosofisch paradigma.



[1]

[1] Ik gebruik dit voorbeeld niet geheel toevallig. Zo is het Franse woord voor dakvenster – ‘un vasistas’ – ontleend aan het Duits. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog van 1870-71 vroegen Duitse soldaten die door de straten van Parijs marcheerden verwonderd “Was ist das?” , hierbij wijzend naar een doorschijnend venster boven de voordeur van een huis waardoor de binnenverlichting van het huis te zien was. Dit ornament – dat vaak terug te zien is aan (heren)huizen in Belle Epoque-stijl – was echter volledig onbekend in (Noord-)Duitsland. Alleszins, in het hedendaagse Franse taalgebruik wordt een vraag naar de quiditas van een bepaald iets, uiteindelijk met identiek dezelfde vraag beantwoordt, wat de primordialiteit van conceptueel onderzoek des te meer in de kijker zet.

[2] De filosofisch getrainde lezer zal allicht begrepen hebben dat we hier expliciet doelen op het begrip 'familiegelijkenis' (Familienähnlichkeit), zoals dit ook gebruikt werd door de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889 – 1951) in diens latere werk over 'taalspelen'. Wittgenstein doelde hiermee op de onvolledigheid van de (menselijke) taal om over bepaalde zaken volledige en sluitende definities te geven. Daarentegen duidt een bepaald concept slechts een gedeelte van die werkelijkheid aan, en kan maar middels vergelijking en analogie worden vervolledigd, zoals leden van een familie wel bepaalde trekken van elkaar hebben, maar toch niet identiek aan elkaar zijn.

[3] Vooral de eerste fase van de Franse Revolutie, die liep van de zogenaamde Eed op de Kaatsbaan in juni 1789, waarbij de Derde Stand zichzelf tot nieuwe Nationale Volksvergadering uitriep, tot en met de machtsovername door de Jakobijnen vanaf de zomer van 1792, kan bestempeld worden als een relatief ‘liberale’ fase; in die zin dat de ideeën over de algemene volkssoevereiniteit – à la Rousseau – toen nog geen grote furore maakten.

[5] Zie Frank van Dun, “Vrijheid, Argumentatie en Contract”, http://rothbard.be/artikels/77-vrijheid-argumentatie-en-contract voor een uitgebreidere uiteenzetting op de methode en het doel van de argumentatie-ethiek

[6] Het Objectivisme is een filosofische stroming gesticht door Ayn Rand, en voor een zeer groot stuk schatplichtig aan de filosofie en metafysica van Aristoteles.


zondag 5 september 2010

Nieuwe enquête

We zijn al een paar maanden bezig. Heb dus een nieuwe enquête opgestart, voor wie wat feedback wenst te geven.

Democratie als beslissingsprocedure

Een post van mezelf. Kort samengevat; kan misschien nog wel interessant zijn.

When I talk/write about democracy I usually make the 'coordination'-argument, not the moral one. The moral argument goes against government in every form, not specifically democracy. If you argue against democracy on moral grounds (which is perfectly legitimate), you often get the question/response; 'so are you in favour of a dictatorship?'

If you don't have much room: pick your battles! So I would advise to argue that 'democracy' is a bad way of making decisions.

- Democracy (politics) is categorical: it's either obama or mccain who decides; whilst markets tend to be more 'you get what you want and I get what I want'

- In democracy; you vote for people who have to make decisions in a certain process, in markets you buy the _outcome_ of a productive process. Big difference and the second one is easier to check for quality.

- Rational ignorance ('do you know everything? Well, in a market; you don't really have to know!') and rational irrationallity (imagine a lot of people having stupid ideas; democracy makes sure that we all suffer from it, while in a market, they mainly effect themselves)

- majority voting doesn't assess relative importance (imagine 60% wanting x but 40% _REALLY_REALLY_ wanting y and willing to compensate the other ones for it; democracy can't deal with that, while markets can)

- obviously: interest groups (the bigger the price, the more lobbiest)

- democracy only selects the political leaders, not the bureaucracy, who often has discreationary powers

- When you 'vote' for a politician, you vote for everything he stands for (and checking for lies is difficult). Even if you don't agree with him on certain issues, you can't vote for others on other issues; it's always a 'collective' of opinions. (Imagine you having to buy house x, car y, refrigerator z, and foodbundle abc or house t, car u, refrigerator v and foodbundel def; ... wouldn't you prefer choosing some yourself?)

- even if you think regulation is necessary; why do you think that the regulators will regulate good? or is 'any' kind of regulation good? If so; isn't that a dangerous notion? Regulation can mean a lot of different things. Doesn't it, for example, happen that the public cries for regulation but that the regulation is actually in the advantage of the firms who are being regulated? (capture theory)

stuf like that is what I do.

vrijdag 3 september 2010

Debate over Oostenrijkse economie

Hier postte er iemand een 'anti-Oostenrijkse' standpunt. Ik kon het niet nalaten om het te bekritiseren.

Openingstatement:

I will argue that while capitalism, by certain definitions, is the best economic system yet discovered, the modern revival of the “Austrian” school of economics is misguided and in many ways counteractive to achieving the goal of free markets. There simply isn’t a scientific basis for most of the school’s claims and its proponents are often overzealous in their disdain for what they perceive as government intervention in the economy.

The Austrian school began in the late 19th century during the marginal revolution in economics, a period in which the previously mainstream labor theory of value was replaced by the concept of marginal utility. Carl Menger was one of the first to develop the idea and he and his students propagated it throughout Europe. Later, during the advent of socialism and through the Great Depression, this small group of Austrians was one of the few academic voices that spoke out for free markets and capitalism.

Unfortunately, while many of their criticisms of government control of the economy were correct, the Austrians held a backwards view of the scientific method which ultimately prevented their arguments from being more influential. Going into the 1940′s, Ludwig von Mises advanced on outdated notion of a priori knowledge that led most other economists to view the “Austrian school” as a bunch of quacks. Possibly due to the radical nature of its rhetoric, the school’s teachings became somewhat popular among laymen decades later, culminating in the quasi-revival seen today among young libertarians and conservatives.

Murray Rothbard, often seen as the originator of the revival, gained many followers with his secular deontology of “natural rights” that, according to him, demonstrated that all government action is both immoral and inefficient. This led to a strange mix of anarchism and rationalism masquerading as a progressive research program that was able to conquer the minds of many young liberty minded scholars.

Using the Ludwig von Mises Institute, the Library for Economics and Liberty and my own experience dealing with self-proclaimed Austrians, I’ve been able to determine several common areas where Austrians generally agree:

  1. A universal denial of math based models, statistics and empirical evidence. The only information an Austrian truly trusts is what he deduces from somehow self-evident first principles. A classic example- we know a priori that “humans act” because that statement is impossible to refute without acting. Therefore we get, well, all of economic theory.
  2. Inflation is the root of all evil. Ideally, we would return to a true gold standard and eliminate fractional banking. Some Austrians are willing to allow fractional reserve banking if the central bank is eliminated. Money supply growth is, in almost all cases, the ultimate cause of every major problem from warfare to recessions to mass poverty.
  3. If the government were eliminated or at least highly curtailed, all market-failures recognized by economists could be overcome. Free market roads would be cheap, national defense would either be unnecessary or highly robust and everyone worthy enough would be able to afford healthcare.

Of course most of this is nonsense. My response:

  1. There are bad statistical studies but good economists know how to spot them. Repeat offenders are generally ostracized and controversial material is debated in academic communities for years. I won’t really address the issue of a priori knowledge in depth as the topic has been a dead horse for literally thousands of years. Needless to say, pure deduction, besides being impossible, does not generate new knowledge. We live in a world of uncertainty and induction, empiricism and statistics are always going to be necessary to understand any phenomena.
  2. Unstable, rapid inflation can of course be harmful, even catastrophic under certain circumstances but to say that a 2-3% inflation rate during a period of economic expansion is somehow cancerous is preposterous. Wages go up with prices over time, so from a pure human wellbeing standpoint, the world isn’t over. But Austrians focus on the recession-causing aspects of inflation for which the supporting evidence is extremely weak. Different interest rates move in different directions in response to inflation which balances out most distortion it causes. In fact, rapid monetary expansion after a collapse has been proven again and again to be the best cure.
  3. I would of agree that government is overly intrusive in today’s world and that some market failure arguments are overstated. But there are very compelling arguments for the use of government in areas like law, national defense, monopoly regulation, etc. It is true that market integration with these sort of government activities would make them much more efficient but sometimes the use of force is necessary to make the world work. In addition, if you eliminate the strict libertarian moral adherence to a Lockean conception of property rights, some amount of wealth redistribution seems fine, even from an efficiency standpoint.
Mijn reactie:

Hi Jake,

thanks for engaging into the debate with the fundamentals of austrian economics. I’ll try to keep my comment as clear as possible. (I take it you are a friend of Zach?) I would also like to mention that I’m not native English, so my apologies if something is, because of the language barrier, unclear.

You start of by engaging 3 different propositions which you attribute to Austrian Economics proper. I would, however, note, that these aren’t good representations of – at least – the entire body of Austrian Economics. I will try and explain why.

First of all; Austrians don’t disregard the entire body of statistics and empirical evidence. What is true is that Austrians are very suspicious about the possibility of deducing (exact) economic laws from empirics – which isn’t the same. Austrian would generally note that data tells you something about a certain period, but we can’t deduce economic laws that help us predict the future in any quantitive way. You can use statistics and try to model human behavior; and even if there isn’t anything wrong with the math, there is something wrong with this method.

Secondly; the way that Austrians use data is to apply certain theories to it. (I’ll talk about the a priori and quantitative laws a bit further.) That way we can try to comprehend certain historical situations. Example; we can apply the ABCT to the Great Depression and see if it gives a plausible explanation. We can apply regime uncertainty and see if it fits. Etc. There is _no_ denial of empirical data. There is, obviously, a place for data. Austrians, however, argue that one has to understand the data in the light of correct theory. Imagine we study the movement of people in a train station as if it were atoms, with a certain regularity. We notice that the movements correlate with a 5 day – 2 day period, which happens to be Saturday and Sunday. We then ‘predict’ that it’ll be like this next week. But that week it’s Christmas on wednesday, so almost no movement on wednesday! An Austrian would say; in order to use the data regarding the movement of people we have to understand the people and their actions as they themselves perceive it. We can’t abstract away from these interpretations in order to understand this. This doesn’t invalidate the data we have collected – like how many people there are etc. – but it does require comprehension of the reason why the data is as such. Another relevant point is, obviously, the problem with all induction: ‘sunrise causes a lot of alarmclocks to go of!’ is something one could argue for if we disregard the comprehension of human action. Theory cannot be deduced from empirical data; theory has to make _sense_. Some Austrians argue that economic theory can only be from strictly a priori deductions. (I’ll come back to that.) Some argue that we can broaden this towards empirical generalizations, as long as the theory ‘makes sense’. These are the most relevant point, I think, Austrians make regarding the use of empirical data. I would note that this point isn’t weird or anything; it’s generally acknowledged in the scientific world of the moral sciences. Austrians just stress it even more. The bottomline is that theories who don’t try to comprehend people as acting people in a uncertain world, are doomed to fail. That’s the basic point and the methodological points follow from this point.

(3) Regarding ‘a priori’; I would say that it isn’t ‘dead’ for thousands of years. The history of ‘a priori’ reasoning has a long history in philosophy – starting with Aristotle, passing through the middle ages by various writers such as Aguino and going on to Kant and others. I would also note that just because the words ‘a priori’ aren’t used, doesn’t follow that people aren’t thinking a priori. It is true that a priori doesn’t tell us anything that isn’t implied in the concept, but it doesn’t follow that it isn’t usefull. Pythagorem theorem is implied by the triangle it is in, but it doesn’t follow that the theorem is not useful. The usefulness of a priori theory is to comprehend certain behaviors. Especially in the more advanced deductions in Austrian economy, the theories deduced are useful in analyzing history. I would also note that there is some discussion (as far as I see) wether or not economic theory is limited too deductions from the action axiom, or wether we allow certain empirical things. I’m of the position that a priori deduction does provide us with good theory, but that there is nothing a priori (hehe) wrong with certain theoretical statements not necessarily deduced. I’m open to investigate each of those claims on their own merit.

(4) I would also note that the Austrian theory isn’t purely deductive. There are some auxiliary assumptions, based on generalized empirical notions. First of all: the relative scarcity of labor versus land. Secondly: the fact that there are geographical and biological differences between humans. These are auxiliary assumptions. Technically; you could conceive an Austrian theory based on the assumption of the relative scarcity of land versus labor (Rothbard discusses this in Man, Economy and State) or on the biological and geographical equalness in the world.

(5) No Austrian proper would say that you don’t need empirics to understand any phenomena in the real world. But it doesn’t follow that we can’t have theory at all. Just as we have math to apply in the real world, we have economics to apply and comprehend the real world. Also; it goes like this: ‘If and when we can talk about x, y and z, then it follows logically that we have a, b and c’. The question wether or not we can speak of x, y and z is an empirical one, which we have to investigate, obviously. Example: ‘the minimumwage will raise the amount of people who will be self-employed (or ‘unemployment’)’ is a theoretical deduction. But in order to apply this, we have to know wether or not a certain law is a minimumwage, wether peope perceive it as a minimumwage, etc. This requires empirical research.

(5) Uncertainty is an area that has been greatly examined by Austrians. I don’t think just saying ‘hey, we live in an uncertain world, therefore deduction is wrong’ is enough to argue against Austrians in general.

I thus have to conclude that based on these 4 sentences, I don’t think you have a good grasp of the whole more nuanced vision of the Austrians regarding methodology. I’m perfectly willing to admit that there are people who don’t fully grasp the nuanced position regarding methodology. I’m not quite sure wether I do. But I would say that it’s my believe that you don’t do justice to the position.

That’s the first issue.

The second issue is money and inflation. I also have some points regarding this issue.

(1) First: Let’s disregard the fact that ‘austrianism’ can’t make valuejudgements as such; but that this is more a point _based_ upon Austrian theory to deduce certain normative conclusions.

(2) I would say that it’s not the Austrian position that inflation causes death and all destruction This would be based upon an empirical investigation – not on a priori reasoning. In the inflationrate was 0.0001%, obviously; the effects would be less damaging than if it were 100000%. :) What you note about ‘warefare, recessions and mass poverty’ is that we can analyze history in such a way that inflation is used to support war (as a hidden tax), causes recessions because of the ABCT and is also a possible cause of redistribution from the poor to the rich. All of these claims aren’t a priori; but are based upon historical research, using certain theories.

(3) Little sidenote: the ABCT is an a priori deduced theory, but the application to it in historical circumstances is not. We can only know wether or not a certain recession is caused by the ABCT if we look at the facts and interpret them.

(4) It is true that a ‘mild’ inflation of 2 a 3% won’t have the same distorting effects as, say, 100%. (Don’t forget, however; a 2% yearly inflation doubles the money supply in 37 years or so. I would say that’s still a lot.)

(5) The fact that the ‘empirical evidence is extremely weak’ and that ‘Different interest rates move in different directions in response to inflation which balances out most distortion it causes.’ are, just that, empirical questions. The least you could do is to provide empirical evidence for it. The thing I would like to note is that this is, indeed, an empirical discussion. It’s an empirical discussion wether or not certain theories – like the ABCT – are applicable to a certain period. This doesn’t, however, require the normal empirical method: ‘how low was the interestrate?’ but it would require _counterfactual_ thinking. The abct is a theory that says ‘if the interestrate is lower then it would otherwise have been’… So we need to try to comprehend wether or not the interestrate was too low compared to what it otherwise would have been. This is an empirical matter, but with respect for the counterfactual. (Most, if not all, economic laws can be formulated in terms of counterfactuals; ‘if not x, then z’.)

(6) ‘Has proven the best method’ is also very peculiar. Again; this requires counterfactual thinking, which cannot be done by just ‘looking’ at the data, but comprehending the data in the light of certain theories. How do those theories come to be? Well; they need to make sense…

To sum up: wether or not the claims regarding history (of money and banking) make sense, requires historical investigation. This, however, cannot be done based by mere ‘looking’, but has to be done by ‘comprehending in light of theory’. So we need correct theory: how does correct theory come to be? Well: it has to make sense. How does it make sense? Well: by deducing it from things that make sense.

I hope, to the very least, I can convince you that the whole of Austrian methodology makes some sense? :)

The third issue isn’t really an ‘Austrian’ one, but more of a ‘Libertarian’ one, to be honest. But in any case; I hope you do realize that you are just begging the question? :) ‘there are very compelling arguments for…’ Oke; that is probably true – else nobody would believe that these things should be provided by the government. But it doesn’t follow that there couldn’t be very compelling arguments the other way around, now does it? :) I would say that from a theoretical and empirical point of view; most – if not all – things that government provide can (and have been) provided private. An economist can’t say wether or not this is a good thing, but as an economist, we should keep in mind that a whole lot of things have been provided privately. I would also say that empirically; the robustness of ‘markets’, i.e. entrepreneurial discovery of alternatives when the state is absent, is pretty amazing .Someone like Elionor Ostrom did some great work on that. :)

The last point is the moral one; which is, again, a libertarian one, not an (austrian) economics one. I would say that some economists – like Israël Kirzner and Mises (especially in his work Socialism) – has written on redistribution, without inserting value statements. Just saying ‘if x, then z’. So I would advise you those, if you want to discuss redistribution from a pure economic point of view.

I hope this is of value to you. Greetings!


Zijn follow-up:

Thanks for your comment, Lode. And yes, I am a friend of Zach’s. He will be providing the counterpoint to this.

You make it seem as if economists just look at numbers and then just draw a line to show a trend. Everyone starts with a theory. The point is that only falsifiable models are able to generate new knowledge. No one is trying to develop a set of exact laws that cover all behavior in one model.

ABCT is not an “a priori” theory. It assumes all sorts of things such as the behavior of interest rates and banks during periods of inflation. True, I asserted something about the behavior of interest rates myself but only because most Austrian followers have never even considered the issue.

All Austrian followers are basically libertarian so I don’t think the distinction is necessary in this case.

What I was getting at was that there should be some room for argument that Austrians typically don’t provide when it comes to market failure. Austrians routinely say that such and such market failure is a myth without really backing up their claims. Orthodox economists make the same points sometimes but they actually use evidence to support them.

Mijn reactie:

Well; I wasn’t trying to make a caricature of economics in general. That’s why I said this: ” I would note that this point isn’t weird or anything; it’s generally acknowledged in the scientific world of the moral sciences. Austrians just stress it even more. The bottomline is that theories who don’t try to comprehend people as acting people in a uncertain world, are doomed to fail. That’s the basic point and the methodological points follow from this point.”

The point that ‘only falsifiable models are able to generate new knowledge’ is something that is weird. Why would that the _only_ way of generating knowledge be? Of course, one could, like Popper, define it like that, but that isn’t very useful. If one wants to say that that’s the only way of generating knowledge, one should, to the very least, provide an argument for it. In any case, the Austrians have defended (1) the use of a priori pretty good and (2) have criticized the use of falsification and induction. Maybe it doesn’t follow that induction and falsification is always useful, but there sure are some problems with it.

And I believe you are confucing the ABCT with the application of it. As I stressed earlier; there is a difference between _constructing_ a theory and _applying_ it to the real world. The ABCT is a a priori theory; based on the categories of interest, time preference, interestrate control, etc. Wether or not a certain historical period was hit by the ABCT is something that requires investigation into the nature of banks and interest rates during that period. See the difference? Suppose we can comprehend that (1) there is a recession, but (2) that the interestrates in general weren’t lower then usual. This would mean that the ABCT isn’t useful in comprehending this period. So no, the ABCT doesn’t ‘assume’ these things. People who _apply_ the abct have to argue why it is applicable. People who disagree; can argue why it isn’t. That’s the way Austrians ‘do’ theory and history.

Because just because ‘most’ – doesn’t mean ‘all’. And still; just because most vegans like animals, doesn’t mean that we should confuse the consequences of a vegan diet with animal loving – or something like that. (I’m not that good at finding analogies.)

Well; I’m not sure if you aren’t confusing the academic work done by Austrians with the ‘you-tube-austrians’ you tend to find. Austrian economics is easy to learn, but hard to master. So it isn’t difficult to come across a lot of newbie Austrians, who don’t know all the ins and outs. That’s fine; I’m not judging them. But I think one ought to know better than to think that they are the standard of everything.

I would, for instance, argue that ‘market failure’ is a flawed concept. It doesn’t make sense to speak of a ‘failure’, because ‘failure’ implies an end in and of itself that one has failed to achieve. The market process however has no end, so it can’t ‘fail’ in such a way. The idea that markets aren’t perfect is distinguished from it and is certainly true. More general; there is a lot of empirical proof that a lot of so called theoretical ‘market failures’ have been solved through the market process. But I also agree with the criticism that ‘market failure’ is a subjective evaluation of a certain state of affairs and not an objective point that one can make – and thus irrelevant for the body of economics.

For example; externalities seem to be a legal failure, not an economic one.

Zijn follow-up:

I’m not confusing anything. I have been to many Austrian paper presentations.

The difference between correlation and causation is probably the first thing anyone learns in statistics. Economists understand the distinction. If you want to call someone out on a specific error that’s fine, but your sweeping generalities about Austrians’ superior skepticism are absurd

You are simply arguing semantics when you talk about market failure and the application of ABCT. The only thing that matters is that a model generates testable predictions. I don’t think it needs to be argued that people want to be happy and that policy should reflect that.

I won’t hold your hand in your quest for knowledge. I have pointed you in what I think is the right direction. I am not going to re-prove here what has been discussed elsewhere. If I haven’t demonstrated a point well enough then ask for clarification, don’t lecture me on basic concepts.

- Dan zijn er 2 reacties van iemand anders, waar hij op reageert. Deze reactie post ik hier, omdat ik daar zelf op reageer. -

Zijn reactie:

Lee-

If the core of Austrian economics is its reliance on some amount of a priori theory then it is all nonsense. There simply is no such thing as a priori knowledge. Give me a proposition you feel is a priori and I can show you how it isn’t.

Logic must be true? Maybe it’s just the only way we can understand the world, that doesn’t make it correct. Humans act? I could show you some animals classified as humans who don’t act. Maybe everything is programmed and free will is an illusion. These are simply assumptions that make inquiry into the nature of the word easier. It is impossible to get anything else out of them other than empty tautologies.

There are always alternative scenarios that can be imagined. There have been negative interest rates. There are circumstances under which the broken window fallacy would not apply. None of these propositions are infallible a priori tenets.

So, if you eliminate this aspect of Austrian economics then all you are left with is the ABCT which hardly constitutes a school of thought.

There is a difference between a priori knowledge and an arbitrary tautology. That bachelors are unmarried men is an arbitrary definition. It isn’t a priori knowledge.

Those statements are meant to refute the a priori status of those propositions. Knowledge without experience is impossible.

Mijn reactie:

Jake,

“The difference between correlation and causation is probably the first thing anyone learns in statistics. Economists understand the distinction. ”

Obviously the difference between correlation and causation is clear. The point isn’t that I think that many economist think or would claim that the sunrise cause alarmclocks to go of. The point is, however, that when there are a lot of factors into play; it isn’t that easy anymore. Take, for example, the whole discussion regarding the interest rate, debt, unemployment, the right course of action, etc. Here we have a whole lot of economists claiming that their theory fits the empirical data. But some theories just don’t make sense, e.g. the one that holds that the interest rate doesn’t reflect something like time preference and uncertainty, but it reflects a preference for liquidity. But this can’t be known and can’t be understood based on empirical data as such.

Another problem with the deduction of empirical data is that a whole lot of theories can be supported by the same or similar data sets. Was the Great Depression caused by the FED not expanding enough after 1929 or by the FED expanding to much before 1929? Just ‘looking at the data’ isn’t sufficient; and obviously, a crude understanding of correlation and causation isn’t sufficient either.

Again; I’m _not_ saying that the whole of economics professions are retards claiming that the sun rise cause alarm clocks to go of. That is not what I’m saying. What I am saying is that Austrians (over)emphasize what a lot of non-Austrians take for granted and they do this with reason. Because it also changes the way one looks and interprets data. Take another example; the question wether or not a minimum wage causes more self-employment of unemployment. Typically – like Card & Krueger – one would look at the data as such and see if the unemployment rate is higher afterwards or not. But this doesn’t make sense; we know – a priori – that a (relevant) minimum wage decreases, on the margin, the amount of people who receive a wage (legally). For an Austrian it is not to look at a certain situation and see wether or not the minimumwage has caused unemployment to rise. The thing is to try to comprehend a certain situation. If the data shows that employment is actually up, after, for example, a rise in the minimum wage, something else is going on. This is one obvious example of a specific mistake.

By the way; the ‘difference between correlation and causation’ is something that is based upon a comprehension of the facts involved, not based on empirical data as such. Obviously; the fact that the sun rise doesn’t cause alarm clocks to go of isn’t based on _pure_ empirics, because that can’t say wether or not this is true. It’s based on a comprehension of the fact that people act purposeful. Some Austrians are very skeptical regarding the whole body of economics deducing a priori; but all are united in acknowledging that we have to interpret human beings as purposeful beings who try to achieve ends with goals. That’s a very easy to understand statement, but you need this to comprehend why we see a general correlation between sunrises and alarmclocks. Comprehending human action is the whole point.

You see that ‘The only thing that matters is that a model generates testable predictions.’ This requires 2 reactions. First of all: what does one mean by ‘testable predictions’? Austrian economics has a whole lot of testable predictions. Austrian economics has generated a lot of _qualitative_ economic laws. Obviously not quantitative, because this is literally impossible; one historical data set can’t ‘prove’ or ‘help to predict’ the next. But we have qualitative laws, i.e. of x and y, then a and b will happen. For example; if you raise the minimum wage (in such a way that people perceive is as a rise) then unemployment will go up. The amount of unemployment depends on the level of the minimum wage. One could use some econometrics to try and calculate the amount, but this is very prone to error and I would argue that this isn’t part of the scientific body of economics, but is part of an entrepreneurial action.

The other thing is; why is this the only thing that matters? Why isn’t a comprehension of the historical situation important too? Why isn’t doing research on the Great Depression to understand the causes and prolonging effects important too? Based on this historical research one could deduce certain qualitative statements – not quantitative, because we aren’t the 1930′s anymore – that would help us to guide into policy. And because of the sheer complexity of a society, we can’t just look at it without a theory; so the theory has to make sense. So good economists try to construct a theory based upon a comprehension of human action. Again; a lot of economists do this already, Austrians just stress it even more. And Austrians have a different way of looking at data; empirics can’t disprove a theory as such, just proof it not applicable to a certain situation. See the difference?

I’m thus actually not talking semantics regarding the use of the ABCT. Absolutely not. I was making a very important point regarding the relation between theory and history in the Austrian methodology.

You could argue that I was arguing semantics regarding ‘market failure’; but besides the point that I was arguing that it doesn’t make sense to speak of a failure of something that has no telos, I was also making the point that ‘market failure’ is not an objective characteristic, but an arbitrary leap of judgement by some people – imo caused by contrasting it with models like perfect competition. If you relax these models and see that the market is a process with lack of information, externalities, scale advantages, etc. everywhere, one can only conclude that ‘market failure’ is an arbitrary judgement; ‘up until this point, we have a good market, but more than that, is a failure’. Again; this is not claiming that the market is always perfect, nor does this proof that we never (might) need government intervention. (The opposition against all government intervention requires other (moral) arguments.) But I think there are some good theoretical reasons why the market is a better process then the government – prices, appraisement, etc. – but there might be an argument that based on something like transactions costs or something the government might step in and do a cheaper job.

Well; I don’t think I’m ‘lecturing’. I think I’m trying to make clear why I believe you don’t do justice to the specific points the Austrians make. For example; you dismiss a priori out of hand. But even disregarding the epistemological name you give to it, the fact that humans act purposefully to achieve ends, using means, in an uncertain world, etc. isn’t that hard to grasp. But it’s not something you can ‘test’. It’s something you have to take for granted to understand the (economic) world we live in.


“Those statements are meant to refute the a priori status of those propositions. Knowledge without experience is impossible.”

““thoughts without content are empty, intuitions without concepts are blind” – Immanual Kant; sums it up quite nicely. :) But yes; knowledge without experience is possible in a sense. In another sense it is, however, true that we get the categories like ‘trade’ and ‘money’ and so on from empirical comprehension. But theorizing about the concept can be done without experience. If and when we talk about trade, we talk about the voluntary exchange of goods. If and when we talk about trade, people expect this to be of an ex ante benefit. Etc. All of this follows from the concept of action and trade. The empirical connection is the question wether or not we can talk about trade in a certain period: did the people involved perceived it as such? If so; then we are talking about trade. Again; it’s hard to try to conceive trade when you were born alone on an island and all, but just because we ‘see’ trade, doesn’t mean that we can theorize about it in an abstract way. We abstract away from the _specific_ content of a certain trade, to try and describe what can logically be said of any trade. What is _essential_ to it.

Causality is a synthetic a priori; we perceive everything in terms of causal connections, but this can’t be just ‘seen’. It requires _interpretation_ of the facts involved. It is a priori because it’s prior to empirical observation, and it’s synthetic because it is relevant for the outside world. It’s not just a tautological definition like a bachelor.

Incidentally: This is why the very first sentence that started the whole of Austrian Economics is this: “All things are subject to the laws of cause and effect.” and Menger thus explained prices by being caused be people acting in an uncertain world, evaluating goods, etc.

Combining this; the Austrian school is also called the ‘causal-realist’ school of economics, precisely for this reason.

You say that you can ‘point’ to certain humans who don’t act. But that’s irrelevant: the point is that _when_ we talk about purposeful action (wether or not it be from humans or aliens) it follows that certain parts of economic theory apply. Do we understand people as purposeful beings? Yes; but we can’t know this just by ‘looking’ at them; we need to comprehend that they are acting – synthetic a priori.

The free will problem is, indeed, a problem. But that’s a problem for all moral sciences. Mises is quite clear that we accept the decision making unit as the ultimate datum; because no theory has ever come up with a model that can predict the whole of economic behavior, similar as we do with the natural sciences.

“There are always alternative scenarios that can be imagined. There have been negative interest rates. There are circumstances under which the broken window fallacy would not apply. None of these propositions are infallible a priori tenets.”

<= This would be very cool if you were to give proof it, in stead of assertions. Again; it's possible that there are (in our) mixed economy, negative real interestrates. It doesn't follow, however, that the time preference theory is wrong, nor would this refute anything. A negative interest rate (in a free market) would just mean that the person lending out doesn't valuate monetary returns. I have given negative interest rates to certain people; they borrow a $100, but they only return $90 after a month, and then I waiver the other part. This is a negative interest rate, but it doesn't follow that the Austrian theory is wrong, just that we need more to analyze this complex phenomena.

Maybe a relevant point; the whole of Austrian theory is required (in our opinion) to analyze the complex phenomena in real life. When you see something like the above example one could easily say; 'well, so far for the Austrian theory!' But it just doesn't follow; it only follows that the world is more complex and that different things happen in different times. We thus need correct theory to comprehend it. Saying that negative interest rates refute the theory is thus epistemologically wrong.

I don't know any theoretical circumstance in which the Broken Window Fallacy wouldn't apply; if one gets the BWF. It _only_ says that we can't increase wealth by destroying something _ceteris_paribus_. Of course; in the real world, ceteris paribus never holds and there might be certain circumstances that actually does increase the wealth in the long run. Imagine me destroying the bakers garden (in stead of the window) and because of it certain events happen which makes us as society a whole lot richer, faster than if the garden wasn't destroyed. I'm sure we can think of an example that can fit in there, but it doesn't follow that the BWF is incorrect. It only means that we have to take into account when we apply the BWF in real life to the limits of the theory regarding the historical data. And it also says proves that the reasoning 'just because we are rebuilding something, we are getting richer' is obviously wrong. When you want to make that claim, you need auxiliary things that might or might not be true empirically; and we can talk about it then. But the BWF, as a theoretical notion, is right.


- voorlopig is dit alles; maar meer wrslk onderweg!