Posts tonen met het label Boekbespreking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boekbespreking. Alle posts tonen

vrijdag 11 maart 2011

Withur We

Withur We is een libertarisch boek dat absoluut fantastisch is. Hier enkele delen van mijn review - degene die geen spoilers bevatten; dus maak u geen zorgen. Er is overigens ook een youtube trailer van het boek - moderne tijd; Got to love it.

(...)

I especially liked in the first part the intellectual struggle between the revolutionaries; making clear that 'wanting change' is not the same as 'wanting freedom'. The debates between Mike, Alasdair, Johnny and Oliver where very interesting and felt real. Like: yes, a revolution is not enough. I liked how things developed in the first part; very recognizable and real.

(...)

But the philosophical discussions - especially the ones regarding the Nozickean argument of the origin of the state - where very, very good. And the fact that they were ingrained in a story - and thus not _merely_ philosophical arguments really made sure the ideas I hold dear come to live in as a real sense as they are bound to come.

I'm not sure though if a non-libertarian would feel as excited as me. And maybe a non-libertarian wouldn't get the revelance of all the philosophical debates; allthough you do an excellent, excellent job in presenting them. I'm pretty confident I'll be copy/pasting some of those discussions as arguments in the future if I don't feel like making the same argument myself - e.g. the part on the illegalization of prostitution.

(...)

Also; it's probably been said before. But the book is a real pageturner. Maybe not all the time, but certainly a lot of the time. It's like Dan Brown meets Rothbard meets George Orwell; 3 writers who are good at what they do.

(...)

One technical point I want to make, though. One important thing and a mistake a lot of writers often make is that all the 'side persons' are copy/pastes with no real personality. I think you have thoroughly succeeded in given most if not all of the characters in the book their own life, personality and imput. They are not idling standing by when the story happens with the 'good' and the 'bad' guys; they are complex figures who change, based on feelings of power, morals, sentiments and so much more. They were humans, not characters. (...)

Another point - which I think is neither positive nor negative - is the fact that, unlike 1984 and Brave New World, your book is not only anti-totalitarian government (that, by the way, even is democratic; which I liked) but offers an idea, an alternative. And as we all know; 'an idea, mr Creedy, is bulletproof'. That might make some non-libertarians not regard the book as highly as I do, but within the libertarian world; I know of no reason why any libertarian shouldn't read this book. Preaching to the choir is often considered as a negative; but I know of no successful organization or movement that didn't participate in widespread 'preaching to the choir'. This is a an exciting new way of doing so - it doesn't always have to be Human Action. Maybe it won't become a classic as Atlas Shrugged; but, as I said before, I never asked 'who is Joh Galt', but I do wonder: where is Alisdair Ashley?

On a personal note; sometimes I wonder why I care. Why not just retreat into academia or whatever and _just_ try to make my own life worthwhile. This book convinced me that there is actually something worth in trying to improve the world, even though people will piss on your ideas. That doing good, because you are doing good, is doing well. And that's something I needed. If for no other reason; that's why I'm liking this book.

Check ook de positieve reviews op Amazon! Edit: deze 'review' is gewoon op het Mises forum gepost in een thread. Dus geen gepubliceerde review ofzo. 'k wou gewoon de nieuwsgierigheid wat prikkelen omdat het echt een goed boek is.

maandag 22 november 2010

Liberalism - Introductie

Binnenkort is er een boekbespreking van Liberalism (Mises). Daarom wordt het zo ongeveer tijd om me wat voor te bereiden. Daarom deze blogreeks.

De wijze waarop ik het boek indeel zal min of meer willekeurig zijn (maar wel chronologisch). (Stoppen als ik zin heb om te stoppen met bloggen.) Vandaag gaan we ons focussen op de inleiding.

1. Liberalism
Nevertheless, brief and all too limited as the supremacy of liberal ideas was, it sufficed to change the face of the earth. A magnificent economic development took place. The release of man's productive powers multiplied the means of subsistence many times over.
Interessant hoe Mises al direct de gelijkenis trekt tussen 'kapitalisme' en 'liberalisme': het toelaten van een beetje/gedeeltelijk liberalisme zorgt al direct voor een uitbarsting van de productieve mogelijkheden.

It was precisely in the countries that had gone the farthest in adopting the liberal program that the top of the social pyramid was composed, in the main, not of those who had, from their very birth, enjoyed a privileged position by virtue of the wealth or high rank of their parents, but of those who, under favorable conditions, had worked their way up from straitened circumstances by their own power. The barriers that had in earlier ages separated lords and serfs had fallen. Now there were only citizens with equal rights. No one was handicapped or persecuted on account of his nationality, his opinions, or his faith. Domestic Political and religious persecutions had ceased, and international wars began to become less frequent. Optimists were already hailing the dawn of the age of eternal peace.

Een standaard pleidooi dat 'liberalisme' zorgt voor gelijke rechten en een marktgedreven meritocratische samenleving. Belangrijk is misschien op te merken dat deze meritocratie gebaseerd is op marginale productiviteit, i.e. door de markt bepaald en geen 'morele' meritocratie en dergelijke.

If there are liberals who find it compatible with their liberalism to endorse the nationalization of railroads, of mines, and of other enterprises, and even to support protective tariffs, one can easily see that nowadays nothing is left of liberalism but the name.

Gekend probleem...

Liberalism is not a completed doctrine or a fixed dogma. On the contrary: it is the application of the teachings of science to the social life of man. And just as economics, sociology, and philosophy have not stood still since the days of David Hume, Adam Smith, David Ricardo, Jeremy Bentham, and Wilhelm Humboldt, so the doctrine of liberalism is different today from what it was in their day, even though its fundamental principles have remained unchanged.

Het interessante is hier de relatie die Mises legt tussen de sociale wetenschappen en liberalisme. Blijkbaar is liberalisme een applicatie van deze leer, i.e. een 'wetenschappelijk liberalisme' - we kennen doorgaans wel het (gefaalde) wetenschappelijk socialisme. Blijkbaar ziet Mises iets gelijkaardig, maar dan in het liberalisme.
Ook interessant dat hij de complete etatist Jeremy Bentham ook als liberaal voorstelt. 'k hoop dat dit ergens wordt uitgelegd, want er is weinig in Bentham dat echt als liberaal voorgesteld kan worden.
Spijtig dat Mises niet meer uitlegt wat hij zoal ziet als die 'veranderingen', want dat zou nog wel eens interessant kunnen zijn, i.e. de evoluties die hij ziet in het liberalisme.

2. Material Welfare

In the last analysis, it has nothing else in view than the advancement of their outward, material welfare and does not concern itself directly with their inner, spiritual and metaphysical needs. It does not promise men happiness and contentment, but only the most abundant possible satisfaction of all those desires that can be satisfied by the things of the outer world.

Mises zijn utilitarisme wordt wel heel snel duidelijk, i.e. het gaat over het 'satisfaction of all those desires that can be satisfied by the things of the outer world'. Het gaat dus niet over rechten as such, maar over het vervullen van voorkeuren. Het probleem is echter: wat als er inconsistente voorkeuren zijn. ('Verkrachting' as such kan als zo'n incompatibiliteit van voorkeuren gelden, maar op basis van Mises zijn theorie: waarom zou dat afgekeurd moeten worden onder bepaalde voorwaarden?)

Op het verwijt dat liberalisme 'alleen' maar gaat over zo'n doeleinden, zegt hij:

Social policy, with the means that are at its disposal, can make men rich or poor, but it can never succeed in making them happy or in satisfying their inmost yearnings.

Hij zit er recht op: als iemand zegt 'ja, maar dat maakt iemand niet gelukkig', dan is het maar de vraag hoe overheidsbeleid - wat een herverdeling van materiële middelen is - wel kan zorgen voor 'geluk' en dergelijke. Geluk is een (psychologische) relatie tussen wat men heeft en wat men wilt - lijkt mij. Hoe je dat kan oplossen met materiële herverdeling alleen is maar de vraag.

3. Rationalism

Liberalism does not say that men always act intelligently, but rather that they ought, in their own rightly understood interest, always to act intelligently.

Dit vond ik eigenlijk een intrigerende uitspraak. Wat betekent dat: 'they ougt, in their own rightly understood interest, always to act intelligently'? En waarom is dit soort micro-opmerkingen ineens relevant voor een, in essentie, macro-sociaal fenomeen zoals politieke filosofie? (Vermits dat politieke filosofie gaat over het organiseren van een samenleving in zijn geheel en de regels die daarbij gelden, is het raar dat hij ineens spreekt dat mensen 'intelligent' moeten handelen aldus liberalisme.) De essentie wordt daarna duidelijk: Mises bedoelt dat we niet alleen 'intelligent' handelen in ons eigen leven: hij geeft het voorbeeld van iemand die de straat wenst over te steken zal (doorgaans) niet oversteken als er een auto aankomt (of, beter, als hij meent dat er een auto aankomt). Het interessante, aldus Mises, is het verschil tussen deze vormen van intelligent handelen en politiek beleid:

Only in the sphere of social policy, it is thought, should it be otherwise. Here, not reason, but feelings and impulses should decide. (...) The organization of human society according to the pattern most suitable for the attainment of the ends in view is a quite prosaic and matter-of-fact question, not unlike, say, the construction of a railroad or the production of cloth or furniture. (...) But however lofty may be the sphere in which political and social questions are placed, they still refer to matters that are subject to human control and must consequently be judged according to the canons of human reason. In such matters, no less than in all our other mundane affairs, mysticism is only an evil. Our powers of comprehension are very limited. We cannot hope ever to discover the ultimate and most profound secrets of the universe. But the fact that we can never fathom the meaning and purpose of our existence does not hinder us from taking precautions to avoid contagious diseases or from making use of the appropriate means to feed and clothe ourselves, nor should it deter us from organizing society in such a way that the earthly goals for which we strive can be most effectually attained. Even the state and the legal system, the government and its administration are not too lofty, too good, too grand, for us to bring them within the range of rational deliberation. Problems of social policy are problems of social technology, and their solution must be sought in the same ways and by the same means that are at our disposal in the solution of other technical problems: by rational reflection and by examination of the given conditions.

in dit belangrijke deel legt Mises zijn absolute fundering voor zijn 'wetenschappelijk liberalisme'. (Voor alle duidelijkheid: dit is een term die ik gebruik om zijn relatie tussen positieve analyse en normatieve voorstellen te beschrijven.) Het punt dat hij maakt is dat de sociale wetenschappen een rationeel inzicht kunnen hebben in de werkelijkheid - er is geen 'mysticisme' - en dat op basis daarvan we beleid kunnen vorm geven. Merk op dat Liberalism dateert van de grote canonieke werken als Human Action & Theory and History, maar na 'socialism' en 'theory of money and credit', waarin de grondbeginselen van zijn theorie al worden uitgelegd. (Noot: eigenlijk vind ik zijn voorstelling van liberalisme en de fundering van een samenleving beter in de eerste hoofdstukken in Socialism dan in Liberalism, wat ik niet zo'n denderend boek vind. Maar goed.)
Mises zijn punt is dat we de regels in een samenleving op een rationele manier kunnen organiseren op zo'n manier dat onze samenleving het beste de 'aardse' doelen kunnen bereiken, i.e. het maximaliseren van onze (materiële) doelen. We kunnen ook voor het juridische systeem 'rational deliberation' hebben. Voor zij die even een vergelijking wensen: we kunnen hier Hayek zijn visie over een een 'gegroeide' orde tegenover stellen, i.e. de idee dat de meest efficiënte instituties geen (of nauwelijks) een onderdeel zijn van rationele, weloverwegen evolutie. De vraag is niet zozeer of dat instituties op zo'n weloverwogen manier tot stand zijn gekomen dat ze het meest efficiënt zijn voor iedereen - duidelijk moeten we zeggen van niet (feodaliteit, mercantilisme, etc.) maar de kernvraag is wel of dat het mogelijk is om daar op een rationele manier over te praten. Hayek laat soms uitschijnen dat dit (nauwelijks) mogelijk is. Hoe kunnen we deze 2 ideeën, van deze twee denkers, samen laten komen?
Me dunkt dat Mises correct is door te stellen dat een rationeel inzicht in wat werkt tegenover wat niet werkt wel degelijk klopt: bv. socialisme kan niet, wegens het gebrek aan een prijssignaal. (De reden waarom is al lang en breed bekend.) Hayek zijn punt kan echter hiermee in overeen stemmen als we een onderscheid maken tussen het concrete en het abstracte - zoals zo vaak. Mises heeft gelijk dat op een abstract niveau je de concepten 'private eigendom', 'ruil' en 'prijzen' nodig hebt om een samenleving te vormen. Hayek is echter correct door te stellen dat deze concepten op verschillende manieren concreet ingevuld kunnen worden. Het ruilmechanisme kan op verschillende manieren ingevuld worden: verschillende manieren kunnen een ruil betekenen, eigendomsafbakening en -definiëring kunnen op verschillende manieren gebeuren en dergelijke meer.
Het probleem met Mises hier is dat hij veel te snel overspringt van 'ja, het gaat allemaal op basis van rationele deliberatie' naar 'en daarom moeten we liberalisme hebben'. Mises zag - denk ik - geen diversiteit in verschillende mogelijkheden van eigendom, ruil en dergelijke; waardoor hij dit niveau effectief alleen maar zag als het definiëren en afdwingen. Zoals Rothbard al opmerkte is dat echter niet genoeg: het marginaal nut van verschillende 'afdwingingmogelijkheden' moeten afgewegen worden (en dat kan alleen maar in een competitief waarderingsproces). Maar wat Rothbard ook niet zag, denk ik, is dat eigendom as such ook problematisch was, waardoor dat ook door een competitief proces zou moeten gebeuren. Ik denk dat daar de kern ligt waardoor Rothbard nooit Mises heeft kunnen overtuigen om zijn beperkt minarchisme te verlaten. Maar deze opmerkingen compleet terzijde.

4. The aim of Liberalism

Liberalism has always had in view the good of the whole, not that of any special group. It was this that the English utilitarians meant to express-although, it is true, not very aptly-in their famous formula, "the greatest happiness of the greatest number." Historically, liberalism was the first political movement that aimed at promoting the welfare of all, not that of special groups.

'k heb wel serieus mijn twijfels bij dit punt van Mises. De engelse utilitaristen - Bentham en Mill - die dit zeiden schreven dit voor als een beleidsmaatregel, die best wel eens zou kunnen slagen op het feit dat er moet herverdeeld worden van de 'enkelen' naar de 'velen' - we mogen niet vergeten dat interpersoonlijke utilititeitsberekeningen wel degelijk gebruikt zijn voor de legitimering voor de redistributieve ideologie op een overheidsgecontroleerde manier. Mises claimt hier - ongeveer - zoiets als 'het liberalisme streeft naar een manier om zoveel mogelijk mogelijkheden te creëren voor iedereen en dit wordt uitgedrukt in die bepaalde slogan'. Maar zover ik het weet is het omgekeerd: die slogan zou de norm moeten zijn voor politiek beleid en derhalve contingent aan het politiek beleid dat daaruit zou volgen. Als iemand mij daar literatuur over kan aanraden, dan graag; maar volgens mij zit Mises hier wel degelijk verkeerd.

Liberalism is distinguished from socialism, which likewise professes to strive for the good of all, not by the goal at which it aims, but by the means that it chooses to attain that goal.

Hier stelt Mises dat het grote verschil dus niet zit in het 'doel' maar in de (sociale) 'middelen', i.e. de regels die beide ideologieën naar voor schuiven. Dit heeft een zekere aantrek, maar toen al waren er 'morele' redenen zoals gelijkheid (van kansen) for the sake of gelijkheid; dus het is mij niet volledig duidelijk dat dit correct is. Mises zegt, inderdaad, in Socialism dat alle ideologieën zeggen 'ach, onze ideologie zal meer middelen creëren' maar er is nog wel degelijk een verschil: daar waar het socialisme zegt dat de rijken daadwerkelijk minder mogelijkheden mogen hebben om deze te creëren voor de zwakken, zegt het liberalisme dat niet. Dus het is niet 'zomaar' een gelijkheid; alhoewel dat je wrslk wel kan argumenteren dat dit niet zo relevant is en dat in 'the grand scheme of things' beide zeggen dat ze meer welvaart voor de grote massa zullen creëren.

Reasonable action is distinguished from unreasonable action by the fact that it involves provisional sacrifices. The latter are only apparent sacrifices, since they are outweighed by the favorable consequences that later ensue. The person who avoids tasty but unwholesome food makes merely a provisional, a seeming sacrifice. The outcome—the nonoccurrence of injury to his health—shows that he has not lost, but gained. To act in this way, however, requires insight into the consequences of one's action. The demagogue takes advantage of this fact. He opposes the liberal, who calls for provisional and merely apparent sacrifices, and denounces him as a hard- hearted enemy of the people, meanwhile setting himself up as a friend of humanity.

Het punt dat Mises hier maakt is dat in alle handelingen we bepaalde zaken 'opgeven' om anderen te 'verkrijgen'. Dit is ook zo in het bepalen van de sociale regels; als iemand een bepaald beleid voorstelt dat op termijn slechte gevolgen zal hebben en de liberaal wijst erop, wordt hij echter altijd beschouwd als een vriend van de mensheid en dergelijke, omdat hij niet akkoord gaat met de beleidsmaatregel en dit wordt afgeschilderd alsof hij tegen het doel is dat bereikt wenst te worden. Het mag duidelijk zijn dat Mises het TANSTAAFL-principe al kende voor het ooit gepopulariseerd werd door Friedman.
Het 'inzicht' waarover Mises spreekt is het inzicht in de gevolgen van handelingen. We hebben dit doorgaans op handelingen die direct effect op ons hebben, maar de 'demagoog' maakt gebruik van het gebrek aan inzicht op 'macro-vlak'. Bryan Caplan zijn term van 'rational irrationality' kan hier wel aan toe bijdragen, i.e. de gedachte dat het op 'policy-vlak' het rationeel is om 'irrationeel' te zijn. Waarom? Omdat je zelf de kosten niet draagt van domme overtuigingen. Stel bijvoorbeeld dat ik als persoon denk dat protectionisme 'the way to go is'? Wat zal mij dat persoonlijk kosten? Quasi niks, omdat ik zelf helemaal niet zoveel invloed heb op het beleid. Maar als ik op persoonlijk vlak denk ik dat kan vliegen, zijn de potentiele kosten wel heel hoog... Daarom dat mensen ook inzake hun 'irrationaliteit' rationeel zijn: als de kosten laag zijn, ga je meer irrationaliteit hebben. (Ik kan het natuurlijk niet laten, maar laten we niet vergeten dat Bryan Caplan de mosterd voor dit idee ook gaan halen is bij Mises, zoals getuige deze paper.)

Antiliberal policy is a policy of capital consumption. It recommends that the present be more abundantly provided for at the expense of the future. It is in exactly the same case as the patient of whom we have spoken. In both instances a relatively grievous disadvantage in the future stands in opposition to a relatively abundant momentary gratification.

Het interessante hier is dat Mises in 1 adem zegt dat alle niet-liberaal beleid 'capitaal-consumptie' is, i.e. dat het allemaal beleid is gericht op het herverdelen van latere middelen naar 'momentary gratification'. Het lijkt mij dat Mises hier quasi altijd in gelijk heeft, tenzij als het echt beleid is gericht op verplicht sparen, zoals het pensioenplan in Chili - dit heb ik me laten vertellen, dus als ik hier fout zit, laat mij. Nonetheless; dit is natuurlijk ook tegen de preferenties van mensen in.

5. Liberalism and Capitalism

Hier beschrijft hij voornamelijk de relatie tussen het historische kapitalisme en het feit dat dit gigantische welvaartsstijgingen heeft veroorzaakt. 'k vind hier niet direct iets om op te commentariëren.

6. The psychological roots of anti-liberalism

De claim hier is, min of meer, dat socialisten het kapitalistische systeem wel begrijpen, maar het toch willen hervormen om 'de rijken' ook te raken. Het is mij niet volledig duidelijk op basis van wat dit gebaseerd is. Hij beschrijft ook niet echt veel argumenten daarvoor.

Volgende keer beginnen we aan hoofdstuk 1.














zondag 2 mei 2010

Review: 'De stille dood van het neoliberalisme'

Er is (alweer) een zoveelste andersglobalistisch manifest op de (vrije) markt uitgebracht, i.e. 'de stille dood van het neoliberalisme' door John Vandaele, een journalist van Mo*. Nu wil ik direct er aan toevoegen dat ik enkelen van zijn kritieken deel. Het gehele tweede deel van het boek gaat over een zekere hypocrisie van de internationale instellingen, zoals de Wereldbank en het IMF en de inefficiëntie waarmee deze instellingen werken, en daar kan ik volledig mee akkoord gaan. Waar de auteur, zoals zovelen, echter redelijk de bal misslaat, is door deze instellingen (en hun beleid) gelijk stellen met een of andere ideologische stroming, die we het 'neoliberalisme' zouden kunnen noemen. Zoals zo vaak in socialistische - pardon: 'andersglobalistische'- kringen, wordt het neoliberalisme niet gedefinieerd of systematisch geanalyseerd, maar wordt het status quo van de laatste paar decennia qua beleid gelijkgesteld met de term 'neoliberalisme', die op zijn beurt gelijkgesteld wordt met 'laissez-faire' en 'verzwak de staat' maar. Dit is natuurlijk complete onzin; in zoverre dat je zou kunnen spreken van een coherente visie op het 'neoliberalisme', is het inderdaad zo dat er een groter vertrouwen is dan het oude Keynesiaanse paradigma, maar het is zeker geen anarchistisch paradigma en ook helemaal geen 'verzwak de staat maar'. Stellen dat de overheid zich zou moeten beperken tot enkele taken, is niet hetzelfde als de staat (per se) wensen te verzwakken. Echter; dit wordt, door de auteur, doorheen het boek op 1 lijn gelijksteld, net zoals dat blijkbaar alles wat het IMF, de WTO, de Wereldbank en de Westerse landen willen en doen hetzelfde is als 'het neoliberalisme'. Ofwel maak je een theoretische analyse van de theorie van het 'neoliberalisme' - en dan mag je zelf nog kiezen welke auteur(s) je als exemplarisch voor het neoliberalisme neemt. (Enkele suggesties zijn hierbij Hayek, Friedman of zelfs Rand, tegenwoordig.) Ofwel analyseer je het status quo en de fouten die je daar zelf in ziet - eventueel door te stellen dat bepaalde zaken terug te koppelen vallen aan een bepaalde ideologische vooronderstelling. Maar wat je niet kan doen - maar wat helaas wel gebeurt - is stellen 'het status quo = die ideologie' en dan een mengeling van beide bekritiseren, zonder duidelijk te maken wat je nu concreet bekritiseert. Dat is intellectueel oneerlijk, maar helaas een populaire techniek in dit soort literatuur. Het doet immers alsof 'de neoliberalen' - whoever that may be - compleet akkoord zijn met het gehele status quo; met de landbouwsubsidies, de regelgeving van de WTO, patenten, etc. Natuurlijk is dat niet zo; maar door deze gelijkstelling negeer je echter deze kritiek en kan je de 'neoliberalen' voorstellen als mensen die alles van het status quo ondersteunen - wat natuurlijk niet waar is.

Alweer: veel kritieken die hij geeft, vooral in het tweede deel van het boek, op de WTO en de rest van die internationale organisaties, zouden 'neoliberalen' zeker kunnen delen. Het feit dat zij hypocriet zijn in de mate waarin ze de vrije markt voorstellen, het feit dat ze werken voornamelijk om belangen te dienen, het feit dat ze een compleet verkeerde interpretatie van 'markten' en 'vrijwillige interactie' trachten te implanteren in andere samenlevingen, etc. is allemaal waar. De auteur negeert echter deze kritieken vanuit de voorstanders van meer vrije markt; en kan dus daardoor doen alsof alle voorstanders van de vrije markt, hier voorstander van zijn.

Dit is in een notendop mijn grote problemen met dit boek - maar a fortiori met veel kritieken uit die hoek. Hieronder zal ik substantiëler op bepaalde aspecten van het boek. Scan er eens door; want het merendeel zijn gekende argumenten uit de andersglobaliseringsbeweging, en een meer vrijheidsgericht perspectief kan misschien enige soelaas bieden.

Over het aspect van toplonen

Vaak werden die hoge lonen betaald in bedrijven waar de gewone werknemers meer moesten werken voor hetzelfde geld, of zelfs voor lagere lonen. Ander contrast is dat precies de managers die (s)preken over de nood aan flexibele arbeidsmarkten - lees: de absolute noodzaak om mensen gemakkelijk te kunnen ontslaan - zichzelf tegen ontslag indekken met ontslagpremies ter waarde van een aantal riante villa's in de betere wijken rond Brussel of Amsterdam.
Ik kan er niet aan doen, maar de grote overtuigingskracht komt hier van een soort van emotioneel 'oh mijn God. Die klootzakken!' terwijl er helemaal niet echt uitgelegd wordt waarom dit ook effectief zo'n probleem zou zijn. Als we zelfs nog even negeren of het wel zo waar is of dat 'dezelfde managers' zouden zijn die spreken voor flexibele arbeidsmarkten, die ontslagpremies nemen, is het natuurlijk zo dat er wel degelijk redenen zijn - en redenen genre 'het algemeen belang' - om voorstander te zijn van flexibele arbeidsmarkten en ook, tegelijkertijd, hoge ontslagpremies. Beide zijn immers een potentieel gevolg van vrijwillige interactie en contractuele vrijheid. Het aspect van 'flexibele arbeidsmarkt' kan mogelijkerwijze resulteren in 'eenvoudiger ontslaan' - dat hangt af van wat er contractueel bepaald is, maar zal wel sowieso uitmonden in het eenvoudiger aannemen van werknemers, wat meer mogelijkheden betekent voor alle (potentiële) werknemers: zowel zij die op dit moment aan het werk zijn, als zij die werkloos zijn. De reden is nogal eenvoudig: stel bijvoorbeeld dat je zou moeten trouwen met de eerste persoon waarmee je op een afspraak gaat. De 'markt' voor 'daten' zou nogal sterk rigide zijn; mensen zouden heel erg voorzichtig zijn als ze met iemand uitgaan - je moet er immers direct mee trouwen. Als er echter geen noodzakelijke, wettelijke verplichtingen zijn, dan zullen mensen waarschijnlijk veel meer daten, en zo trachten de goede partner te vinden (of gewoon een leuke tijd hebben). Hetzelfde met de arbeidsmarkt; als je het moeilijker maakt, door middel van wettelijke beperkingen, om mensen te ontslaan, dan zijn misschien de mensen die op dat moment een baan hebben (een beetje) beschermd, maar zij die geen baan hebben of zouden willen veranderen van een baan, worden hierdoor benadeeld. Door deze wettelijke barriëre, wordt het minder aantrekkelijk voor iemand om een personeelslid in dienst te nemen, ook al zou deze (tijdelijk) een loon kunnen krijgen en van waarde zijn.

Omgekeerd; hoge ontslagpremies zijn een gevolg van de mogelijkheid die managers kunnen afdwingen, door het feit dat ze potentieel veel waarde kunnen zijn. Verder werkt het ook als een vorm van worteleffect; indien er niet (exuberant) hogere lonen 'aan de top zijn', werkt het voor velen minder innoverend om zichzelf in te zetten om de top te bereiken. Verder; het staat de aandeelhouders vrij om dit bedrag niet contractueel vast te leggen. Het feit dat ze dat echter wel doen, betekent echter dat ze wel degelijk denken dat deze manager het waard is - wie zijn wij als buitenstaander om te denken dat wij beter zouden oordelen over de feiten (waar we veel minder van kennen) dan zij wiens eigen fondsen op het spel staan?

Er is simpelweg geen echte contradictie tussen enerzijds vragen om meer contractuele vrijheid voor alle werknemers, en tegelijkertijd pleiten dat hoge ontslagpremies mogelijk moeten zijn; integendeel, het is een onderdeel van 1 en dezelfde theorie: vrijheid doet het comparatief beter dan regulering en centrale controle van wat wel en niet mag. Dat de auteur niet doorheeft dat beide een gevolg zijn van dezelfde redenering, is spijtig.

Over de 'macht' van het mondiaal kapitalisme
"In een mondiaal kapitalisme kan het kapitaal een land en een bepaalde arbeidersklasse die te veeleisend is, makkelijker de rug toekeren, of ermee dreigen dat te doen."
Het probleem is, natuurlijk, dat 'de arbeidersklasse' as such nooit 'teveel' kan eisen, net zoals het 'kapitaal' niet kan veranderen, want deze agreggaten zijn concepten, maar hebben geen relevantie in de werkelijke wereld. Er is geen 'arbeidersklasse' die 1 en homogeen is, dus die als geheel niet 'teveel' kan eisen, net zoals er geen 'het kapitaal' is, maar een geheel van kapitaalbezitters - vaak de 'arbeidersklasse' zelf, via banken, pensioenplansparen, en verzekeringssystemen. Verder is het niet waar dat het 'eenvoudiger' is nu. Men tracht altijd te investeren op zo'n manier dat het meeste zal opbrengen en als het niet genoeg opbrengt - of mag opbrengen - zal men niet investeren. Het enige wat globalisering eenvoudiger maakt, is om je kapitaal te gebruiken om in een ander land te investeren, maar een land 'de rug toekeren' is niet systematisch eenvoudiger; dat ging daarvoor ook. Alleen kon je dan niet (zo eenvoudig) investeren ergens anders. De vraag is, alweer, wat hier mis mee is: investeringen in 'andere' landen, betekent hogere inkomensmogelijkheden in die landen dan dat er op dit moment is; wat is het probleem voor deze socialist nu juist?

"Die niewe werknemers van het kapitalisme hebben niet zoveel geld of kapitaal meebgeracht en dus is de verhouding tussen arbeid en kapitaal ten gronde veranderd. Arbeid, vooral laaggeschoolde arbeid, is er nu in overvloed terwijl kapitaal relatief schaarser is geworden. Anders gezegd: het aanbod van arbeid is veel sterker toegenomen dan dat van het kapitaal. En hoe groter het aanbod, hoe lager de prijs. De prijs van arbeid, de lonen, zal de komende decennia dan ook onder druk staan in deze mondialisering, zeker die voor lager geschoolde arbeid in de rijker landen."
Het probleem met dit punt is divers. Ten eerste negeert de auteur het evidente concept van comparatieve voordelen. Kort gezegd: zelfs bij gelijke 'kapitaalshoeveelheid' is het voordelig om meer mensen in de arbeidsdeling te hebben, i.e. een grotere output en dus grotere mogelijke lonen voor iedereen. Er is niet zoiets als een 'verhouding' tussen 'kapitaal' en 'arbeid' en als er meer 'arbeiders' bijkomen, dat die dan 'minder' zullen verdienen; door de arbeidsdeling is het mogelijk om met gelijk kapitaal, nog steeds een grotere output en dus hogere lonen voor iedereen te garanderen. Verder is er op zich niet zoiets als een 'overschot' aan arbeid; zolang de lonen vrij zijn. Dat er in onze wereld de lonen niet vrij zijn - bejubeld door de auteur... - zorgt ervoor dat er minimumlonen zijn, waardoor er inderdaad een reservearbeidsmassa ontstaat, waardoor er inderdaad een neerwaartse druk op de lonen is, zeker bij zij in minder arbeidscapaciteiten hebben. Dat is de ironie van het minimumloon; het zorgt voor een minimumloon, maar het creëert tegelijkertijd een druk zodanig dat het moeilijker is om boven dat minimumloon uit te stijgen qua loon, met meer armoede voor iedereen, vooral voor de zwakkeren in de samenleving. De fout die de auteur maakt is simpelweg 'kapitaal' en 'arbeid' als grote homogene entiteiten te zien, waar het 'kapitaal' geld biedt voor 'het arbeid' en als 'het arbeid' in aanbod stijgt, dan daalt 'de prijs'. Echter; zo werkt het natuurlijk niet; arbeid en kapitaal zijn een harmonieus geheel die zorgen voor output en méér van een bepaalde factor zorgt voor een grotere output, i.e. mogelijkheid tot hogere lonen.

"Zijn er in België en in andere landen signalen dat de vermogenden rijker worden en de gewone werkmens eerder ter plekke trappelt?
Die zijn er inderdaad. Het meest evidente signaa is dat werk letterlijk een kleiner deel van de koek oplevert dan pakweg 20 jaar geleden, in België en zowat in alle rijke landen. Het BNI is de som van alle inkomens van alle Belgen: hun inkomens uit arbeid maar ook hun inkomens uit allerlei vormen van vermogen (rente, huur, winsten, verkochte meerwaarden, ...). Welnu, de som van alle inkomens uit arbeid - het arbeidsaandeel van het BNI - is de voorbije jaren teruggelopen."
Het probleem met deze - vaak gehoorde - redenering is, in navolging van het vorige stukje, eenvoudig. Het 'inkomen' uit arbeid en het 'inkomen uit kapitaal' hebben totaal andere oorzaken. En het is dus niet omdat de ene 'omlaag' gaat, dat dit 'ten koste' van de andere gaat; het zijn niet meer dan statistische verbanden, geen causale. 'Inkomen uit kapitaal' wordt veroorzaakt door risico's en tijdspreferentie, inkomen uit arbeid door de ingeschatte toegevoegde waarde, gedisconteerd over de tijd heen. Verschillende zaken; dus is het nogal onzinnig om te insinueren dat 'arbeid' minder krijgt, omdat het in deze aggregaten statistiek omlaag gaat.

Enzovoort en zoverder.



























zondag 27 december 2009

Review: Foundations of Morality

The Foundations of Morality ~ Henry Hazlitt (op amazon)
The Foundations of Morality ~ Henry Hazlitt (op Mises.org)
Of, wie het in pdf wilt, kan het hier downloaden.

Eindelijk heb ik dit boek gelezen en ik moet zeggen: het was een (quasi) foutloos parcours van de auteur, tot, naar mijn grote spijt, de laatste meters.

Het boek heeft 33 hoofdstukken, dus het zou een beetje te gek zijn ze elk te bespreken, maar de essentie van het verhaal is ongeveer het volgende. Het boek is ongeveer 3 delen - alhoewel dat deze eigenlijk ook wat door elkaar lopen. Het eerste 'stuk' is waarin hij de essentie van zijn visie (die hij 'coöperatism' doopt) uitlegt: vreedzame, langdurige coöperatie is het meest ethische want het beste voor, uiteindelijk, iedereen. Het tweede deel is waarin hij allerlei morele issues bespreekt in het licht van deze visie. Het probleem van 'egoïsme' en 'altruïsme', het probleem van de plicht, intuïtie, 'happiness', moraal, etc. Hij tracht in een aantal hoofdstukken uit te leggen hoe we tegenover die zaken moeten staan. Zonder over te gaan tot politieke conclusies, probeert hij in deze hoofdstukken uit te leggen wat de morele manier van handelen is, op zo'n manier dat het heel overtuigend is, zonder dat daar direct politieke conclusies aan vast hangen. Het is maar in ongeveer het derde deel (dat, naar mijn mening, begint bij hoofdstuk 24) waarin hij traag maar zeker meer politieke conclusies vasthangt aan de visie. (Je zou, misschien correcter, kunnen beargumenteren dat hoofdstukken 24 tot 29 (minus 27, dat eerder bij deel 2 hoort) een gestage overgang is tussen deel 2 en deel 3, zoals ik het hier gedefinieerd heb.) In de climax van het derde deel, in de hoofdstukken 30 en 31: 'the morality of capitalism' en 'the morality of socialism', 'past' hij dan (grosso modo) alle ethische beginselen die hij heeft beargumenteert (min of meer) toe. Een van zijn fundamentele punten is dat alle ethische principes die hij daarvoor heeft uitgewerkt, van toepassing zijn in het kapitalistische systeem. (Hiermee heeft hij het niet over het status quo, maar eerder over het ideaaltype van een vrije markt economie.) In het hoofdstuk over het socialisme beargumenteert hij dan weer dat het socialisme helemaal niet zo ethisch is als vaak gezegd wordt. Aansluitend is er nog een hoofdstuk over de verhouding tussen religie en moraal (dat eerder bij deel 2 hoort) en een concluderend hoofdstuk met de essentie van zijn moreel systeem.

Ik was een grote fan doorheen het gehele boek, met bijvoorbeeld citaten zoals (pg 124):
Moralities are a systems of principles whose acceptance by everyone as overruling the apparent dictates of immediate self-interest is in the long-run interest of everyone alike.
of op pagina 164. Hier maakt hij een vergelijking tussen het concept economische calculatie, dat maar mogelijk is door het feit dat (quasi) alle mensen in de economie waardeoordelen maken in termen van geld en moraal anderzijds:
So far we have been drawing our illustrations purely from the economic realm. But what is true of market prices and economic values is also true, though in a less precise way, of aesthetic, cultural, and moral values. The individual, in the whole range of his life and thought and activity, finds himself confronting and dealing with an infinitely complex set of social values. These are, of course, ultimately the valuations of other people; but the mutual relationship and causation are complex. Just as, in the economic realm, the infinitely diverse valuations of other people do not result in an infinite number of market prices, but, at a given time and place, just one market price for a given (homogeneous) commodity, a price that is the composite result of individual valuations, so in the political, aesthetic, cultural and moral realms we find ourselves dealing also with such composite valuations, which seem to have a life and existence of their own, and to stand apart from the valuations of any one individual. Thus we speak, and seem to be warranted in speaking, of the reputation of Beethoven, Michelangelo, or Shakespeare, of the sentiment of the community, of public opinion, of the moral tradition, or the prevailing moral code.

In mijn goede oude stijl stond ik al klaar om aan te duiden dat Hazlitt het onderscheid tussen 'rechten' en 'moraliteit' niet respecteert, maar zelfs dat negeert hij niet: hij maakt duidelijk (maar werkt dit niet verder uit) dat er wel degelijk een onderscheid is tussen 'echte (natuur)rechten' en 'valse rechten'. Het is misschien spijtig dat hij dit niet verder uitwerkt, maar dat was de essentie van zijn verhaal niet. Hij beargumenteerde de morele superioriteit van zijn systeem en niet zozeer de 'rechtsfilosofische' waarde - ook al steunt het daar deels op.

Het fundamentele punt van zijn systeem is dat sociale coöperatie, met respect voor eigendomsrechten, [i]in the long run[/i] zal zorgen voor een systeem waarin zoveel mogelijk mensen hun eigen morele waardigheid kunnen behouden. Hij spendeert veel tijd (en terecht) met het uitleggen van de rol van morele regels in ons dagdagelijkse leven (en waarom dat het vaak kan zijn dat ze niet ons directe, korte termijn geluk verzekeren). Je zou kunnen zeggen dat hij moraliteit als een onderdeel van 'the division of labour' - maar dan net iets anders - beschouwt, i.e. iedereen draagt er aan bij en het kan niet centraal gepland worden. Je kan hier zijn gehele concluderende hoofdstuk vinden, voor meer duidelijkheid bij wat hij concreet heeft beargumenteert.

Helaas kan ik het boek geen 10 op 10 geven (maar zeker en vast een 9.5) omdat, uiteindelijk, de hoofdstukken over kapitalisme en socialisme teleurstellen. Hij beargumenteert in het hoofdstuk over kapitalisme nog wel vanuit de inzichten die hij daarvoor uitgebreid heeft beargumenteert (en waar de lezer, naar alle waarschijnlijk, mee akkoord is gegaan), maar het socialisme bekritiseert hij op een veel zwakkere manier. Hij begint hier, bijvoorbeeld, over het productiviteitsprobleem in het socialisme en over (mogelijke) interne consistenties in de socialistisch-ethische redeneringen. Misschien stel ik te hoge eisen, maar over het algemeen vond ik dit hoofdstuk - in vergelijking met het niveau van de rest van het boek - minder.

Misschien ook verrassend: Hazlitt is uitgebreid belezen in de klassieke auteurs: Smith, Hume en Kant (om maar enkele ten noemen) passeren uitgebreid de revue. Mises natuurlijk ook - maar dát is geen verrassing, vermits Hazlitt zijn ethisch systeem (voor een groot deel) geïnspireerd is door de schrijfsels van Mises.

Het boek is een absolute mustread. Ik zelf ga het zeker dit jaar nog eens opnieuw lezen en ik kan aan iedereen hetzelfde aanraden. Het is zeker ook een boek dat je verschillende keren gelezen moet hebben om er een goede visie op te krijgen - en dat zal ik met veel plezier doen.


woensdag 23 december 2009

Review: A life of One's Own

A Life of One's Own: Individual Rights and the Welfare State ~ David Kelley

Dit boek is in de eerste plaats een filosofisch werk en in de tweede plaats een economisch werk. Het is filosofisch omdat het belangrijkste punt van het boek is dat de argumenten voor een welvaartstaat (hij onderscheid 3 strekkingen; daarover direct meer) minstens dubieus en hoogstwaarschijnlijk gewoon verkeerd zijn. Het is economisch omdat hij ook nog eens (maar dit is minder zijn punt) de economische gevolgen van de welvaartstaat (in Amerika) en de problemen die daarbij zijn en zullen ontstaan aanduidt.

In het eerste hoofdstuk bespreekt hij bijvoorbeeld het nakende einde van de welvaartstaat, puur met referentie naar de cijfers dat het simpelweg niet meer betaalbaar is. (Voor de verwarde lezer: ja, ook de Verenigde Staten van Amerika heeft een (uitgebreide) welvaartstaat, op het lokale, statelijke en federale niveau.) Hij beschrijft hier ook nog de gevolgen van de welvaartstaat op armoede en toont aan, met de cijfers die hij gebruikt (dit is altijd een belangrijke qualifier) dat de welvaartstaat niet bepaald een succes is, ook niet als je het vergelijkt met de vrijwillige instituties die daarvoor bestonden.

In het tweede en derde hoofdstuk bespreekt hij (de filosofische en historische grondslagen van) een 'recht op welvaart' (vrije, maar niet accurate, vertaling van 'welfare right'.) Hij beschrijft hoe deze sociale (of 'positieve') rechten verschillen van de oude concepten van 'life, liberty and property', zonder echt een waardeoordeel te vellen. En hij beschrijft hoe de verschuiving in de redenering van rechten zich doorgezet heeft in de Amerikaanse geschiedenis. Misschien niet super relevant voor Europeanen, maar het is wel interessant om te zien. Zeker mensen die geschiedenis hebben gestudeerd, zouden geïnteresseerd kunnen zijn om parallellen te trekken met onze landen. Maar het belangrijkste deel van het boek zijn niet de eerste 3 hoofdstukken, die zijn in essentie inleidend. Het begint met het beschrijven van de crisis van de welvaartstaat, het beschrijven van wat de welvaartstaat betekent in termen van recht (en het verschil met de visie van vroeger) en hoe deze verandering is opgetreden. De essentie van het boek is echter hoofdstuk 4 tot 6, waarin hij 3 verschillende verzamelingen van argumenten bespreekt die pleiten voor de welvaarstaat.

De 3 groepen die Kelley onderscheid zijn ten eerste het argument van economische vrijheid en risico, ten tweede het argument van solidariteit en ten derde het argument van een gemeenschap (opvallend is overigens dat hij Rawls in deze derde categorie plaatst; maar de manier waarop hij Rawls leest (die zeker niet al te raar is) verklaart dit.

Het argument van economische vrijheid is het bekende verhaal van positieve vrijheden: wat ben je met het recht op eigendom als je geen eigendom hebt? En word je niet aan agressie onderworpen als je ontslagen wordt? Kelley zijn basisargument is, in essentie, het klassiek liberale verhaal van vrijwillige coöperatie en het feit dat economische vooruitgang minder risico betekent, in plaats van meer.

Het argument van 'solidariteit' countert Kelley met de benadering dat 'altruïsme' niet de enige soort van deugd is (en zeker niet de meest dominante) die mensen behoren te hebben. (Kelley heeft een verleden als een Randiaans-objectivisit, maar - gelukkig - is zijn discours hier genuanceerder dan sommige andere Randianen die ik al heb ontmoet. Ik vind dat hij soms nog iets te los over altruïsme heengaat. Iemand die bekend is met de Randiaanse visie begrijpt dat Kelley iets anders bedoelt met altruïsme dan wat mensen daar doorgaans onder verstaan, maar potentiele lezers zouden toch afgeschrikt kunnen worden.) Kelley benadrukt de noodzaak aan verantwoordelijkheid bij mensen die steun krijgen, de onmogelijkheid van de overheid om te kunnen onderscheiden tussen mensen die pech hebben en mensen die doorhun eigen keuzes in de armoede zitten. Kelley hanteert ook (impliciet) het argument dat mensen die door hun eigen keuzes (i.e. herhaaldelijk onverantwoordelijk gedrag) in de armoede zitten, niet (of nauwelijks) een claim kunnen hebben op 'recht op hulp'. Ik ben niet zeker of iedereen met deze morele claim akkoord zal gaan. Goed is dat Kelley (terecht) beargumenteert dat private voorzieningen diverser kunnen zijn en meer toegespitsts op een gever-krijger relatie (en dus meer verantwoordelijkheid zou benadrukken). Heel goed is dat Kelley ook het aantal private donaties die nu nog buiten de welvaarstaat gelden, aanhaalt (en deze cijfers zijn redelijk groot). Uitstekend is dat hij ook (terecht) aanklaagt hoe de huidige welvaartstaat (in Amerika) door collectivisering van een groot stuk van de solidariteit de opties van mensen in nood beperkt en strenge, privacy invaserende regels oplegt. Natuurlijk hebben de mensen die steun krijgen nog keuzes, maar deze worden door de overheid sterk beperkt (met de onderdanigheid die daarmee gepaard gaat). Kelley is ook geen utopist: hij wijst er terecht op dat private solidariteit ook zal werken met regels (en deze kunnen ook streng zijn), maar een privaat systeem zou veel diverser zijn, met veel meer keuzes om te geven en om te krijgen, waar iedereen alleen maar zal bij winnen.

De laatste groep aan argumenten die Kelley aanvalt is het concept van 'de gemeenschap', i.e. de communautarians. Zij beweren dat de overheid - en de welvaartstaat - in essentie een 'gemeenschap' betekent, waarbij solidariteit (via de staat) essentieel is. Net zoals je niet elke euro telt die naar je ouders gaat (of vice versa) zo is solidariteit via de staat ook ok. We zijn opegegroeid in een samenleving, dus zijn we ook iets schuldig aan die samenleving. Kelley wijst hier terecht op dat het een non sequitur is om uit het feit dat wij geholpen worden door onze ouders, opgroeien samen met vrienden, leven in een wereld gevormd door genieën als Newton en Edison, het daaruit volgt dat mensen aan de andere kant van de stad/staat/land zomaar een welvaartsclaim hebben op onze middelen. (Ik zou hier zelfs aan toevoegen: zij hebben ook die erfenis: waarom zou ik niet bij hen mogen aankloppen? Simpelweg omdat zij armer zijn en ik rijker, betekent toch niet dat zij bij mij mogen aankloppen? Puur op basis van het argument van 'gemeenschap' kan je dat niet beargumenteren; je hebt daar bijkomende argumenten voor nodig.) Tegenover dit concept van gemeenschap plaats Kelley de 'contract-samenleving', i.e. de samenleving van private eigendom en vrijwillige associatie. (Ik zou zelf niet voor de term 'contractsamenleving' gekozen hebben; met de meeste mensen waarmee ik associeer heb ik geen 'contract'; maar dat is een minder relevant punt.)

David Kelley heeft een uitstekend boek geschreven. Zoals op de flap van het boek staat: "Anyone interested in the moral legitimacy of the welfare state must deal with the arguments in this book." Ik ken maar weinig boeken die op dergelijke wijze de morele funderingen van het concept de welvaartstaat onderuit haalt. Ik ben hier niet uitgebreid op al zijn argumenten ingegaan, maar ik kan verzekeren dat hij een breed waaier aan argumenten voor de welvaartstaat bespreekt.

Natuurlijk is afstappen van de welvaartstaatfetisj niet eenvoudig: we zijn er mee opgegroeid, mensen die de politiek in willen gaan niet populair worden met hiertegen te pleiten (en het zou het afstaan zijn van macht als ze daarvoor pleiten) en meer van dat fraais. Maar het boek is een uitstekend intellectueel geheel en mensen die de welvaartstaat verdedigen behoren op deze argumenten in te gaan. Natuurlijk is het utopisch om te verwachten dat ze dit zullen doen, maar Kelley heeft in ieder geval zijn taak met verve volbracht. Ik kan het boek aan iedereen aanraden, zeker nu ook de crisis bij ons in de welvaartstaat problematisch wordt.

De leukste quote die ik me herinner vind je op pagina 60:
The Welfare state is a set of institutions that emerged at a specific point in history, the response to a particular situation by thinkers and activists operating on a particular set of assumptions. There was nothing inevitable about it.


Ik zou graag nog en plus even 2 reviews (de enige 2 die negatief waren) op amazon wensen te bespreken - die ik typisch vind.

De eerste review (integraal):
I couldn't even finish this book. The only thing about it worse than the rigor mortis prose style was the innanity of the view expressed. According to Kelley, society will be magically transformed into Utopia once we start acting selfishly. Hmmmm. And I suppose elephants fly and the moon is made of cheese, too. This book's argument, such as it is, would be downright comic if it weren't so pathetically boring.
De auteur maakt, overduidelijk, een stropop van het boek. Kelley geeft herhaaldelijk toe dat het geen panacee is waar hij voor pleit, maar dat de economische analyse een comperatieve is. Het gaat hem ook vooral over de morele argumenten voor de welvaartstaat; die hij verkeerd vindt (en de redenen waarom). De auteur van deze review verwerpt het punt. Hij kan daar, waarschijnlijk, om emotionele redenen niet mee leven, vandaar deze reactie. Maar hij geeft er geen tegenargumenten voor. Over emotionaliteit gesproken, is de 2de review nog erger (ook integraal geciteerd):
How dare David Kelly attack welfare? Using demeaning terms like, poor people, Kelly becomes an imcompasionate fool. The majority of us don't know about poverty. But, then it is our to use it to help people is evil. This book ignores the needs of welfare and even says it responsibilty to help- in terms of welfare or other social programs. Somebody has the power help. Pretending they don't so they don't need encourages "perverse" actions. David Kelly, I'm sure an acomplished author and financially secure, has no right to make a judegemnt of this type. He doesn't need to worry about the bare essentials. For those who would like a true, harsh, and raw persepctive from, as Kelly puts it, the poor, please read "Amazing Grace" by Jonathan Kozol. I would like to see how Kelly would respond after being in the shoes of the people in the slums and ghettos.

Kelly may not be evil, but his intentions are wrong and only in his self interest.

Ten eerste: Kelley valt de welvaartstaat aan en de filosofische onderbouwingen van 'welvaartsrechten'. Hij ontkent nergens dat sommige mensen problemen hebben en hij stelt terecht dat mensen goed zijn als ze deze helpen. Maar dat is iets anders van voorstander zijn van dit systeem te monopoliseren.
Ten tweede: wijzen op het feit dat er 'armen' zijn, is geen weerlegging van het boek. Het boek beargumenteert onder andere (op basis van logica en cijfers) dat de welvaartstaat vaak armoede verergert, i.e. dat het onbedoelde effecten heeft die waarschijnlijk geen onderdeel waren van het oorspronkelijke plan.
Ten derde: erop wijzen dat Kelley het goed heeft, is geen enkel tegenargument tegen de teneur van het boek. (Overigens: zoals al vaak aangewezen, is 'welvaart' nauwelijks een indicator van politieke voorkeur.
Ten vierde: de term 'de armen' is 'demeaning'? Dus de volgende keer dat Obama pleit om 'de armen' te helpen, is hij demeaning? Ik zie niets problematisch aan het erkennen dat sommigen het minder hebben dan anderen. Dat is een feit, geen waardeoordeel.

Enfin; als dit de teneur is van de 'kritiek' op Kelley, dan denk ik dat de intellectueel verantwoorde steun voor de welvaartstaat dubieus is.




Review: The Logic of the Planned Economy

The Logic of the Planned Economy: The Seeds of the Collapse ~ Pawel G. Dembinski

Om eerlijk te zijn: toen ik dit boek vastgreep in de bibliotheek was het zonder de ondertitel en dacht ik dat het een boek vanuit planeconomisch perspectief zou zijn om dit systeem te verdedigen. Al snel bleek dat niets minder waar was: het was een (iets of wat onorthodoxe) kritiek op het concept van een geplande economie.

Dit boek zou, in mijn ogen, een geniale kritiek geweest zijn in de jaren 70/80 van hoe een planeconomie werkt, maar vermits het boek geschreven is in 1991, had de auteur het voordeel dat de geplande economieën al 1 voor 1 ineengestort waren. Het boek is hoofdzakelijk het beschrijven van een interne logica gemengd met empirische observeringen. Het is dus goed mogelijk dat de auteur naar de gevallen planeconomieën heeft gekeken en op basis daarvan heeft doorgeredeneerd hoe dit komt. Zover ik kan oordelen is er niet (denderend) veel mis met zijn redeneringen, maar er zijn ook enkele problemen mee. Hierbij aansluitend ben ik dus niet zeker of ik dit danwel een goed of een slecht boek vind. Het is een goed boek omdat het toch enkele tendensen tracht te illustreren die actief zijn op het politiek-economische vlak in een (centrale) planeconomie. (Het is ook onduidelijk of deze tendensen zouden werken in 'andere' vormen van een planeconomie, zoals een democratische planeconomie. Maar dat was het doel ook niet van de auteur.) Het is anderzijds een slecht boek wegens het niet al te toegankelijk maken van de begrippen. Hij heeft het bijvoorbeeld heel de tijd over 'the system' dit en 'the system dat'. Het is (ongeveer) duidelijk dat hij bedoelt dat de heersende elite beslissingen moeten nemen die moeilijk zijn - maar waarom zegt hij dit niet gewoon? 'The system' neemt geenbeslissingen; mensen met machtsposities nemen die wel. Een ander probleem met het boek - denk ik - is dat het niet bepaald overtuigend is om mensen af te doen zien van een planeconomie, indien ze daar voorstander van zijn. Er zijn niet echt argumenten in het boek (zover ik zie) dat mensen zal doen zeggen: 'ach, ik zat fout!' Dit hoeft op zich niet zo erg te zijn, maar het is ook niet echt overtuigend als boek (vind ik) om twijfelaars te doen kantelen naar het punt dat een planeconomie geen goed idee is. Daardoor wordt er te weinig een comperatieve analyse gemaakt. (Het is immers 1 ding om te zeggen: 'een planeconomie is niet perfect', maar het echte sterke argument is 'een planeconomie zal het duidelijk comperatief slechter doen dan een markteconomie'.) Hiermee heb ik niet gezegd dat er geen inzichten in zitten die iemand kunnen doen nadenken over het concept een planeconomie - er is zeker genoeg in het boek om verdedigers van een planeconomie uit te dagen hierop te antwoorden - maar het is zeker niet het beslissende antwoord op de discussie. Niet dat dit, natuurlijk, noodzakelijk is. De auteur had een ander doel op het oog en hierin is hij redelijk geslaagd.

Het boek is onderverdeeld in 3 delen. In het eerste delen beschrijft hij 'the creed' van het communisme, i.e. dat private eigendom slecht is en vernietigd moet worden. Maar de auteur merkt terecht op dat hiermee de problemen nog beginnen: "This is because 'socialisation', as used by The Creed, is nothing more than the dialectical contradiction of private ownership - in other words it is simply 'the next stage'. This is of little practival help to those who, in the name of the Creed, wish not only to destroy private ownership but to establish social ownership in its place." Het punt van de auteur - dat herhaaldelijk terecht komt - is dat het 1 ding is om te roepen dat private eigendom vernietigd moet worden ten voordele van collectieve eigendom; het is een ander om effectief te weten hoe je collectieve eigendom moet organiseren. Het eerste deel beschrijft vooral 'The Creed' en hoe het planeconomisch systeem (in theorie) werkt; met welke trade offs het te maken heeft enzv.

In het tweede en derde deel beschrijft de auteur welke interne en externe problemen planeconomieën te maken krijgen. Dit is vooral een conceptueel-empirische kwestie; alhoewel het calculatiedebat wel wordt vermeld (met een verkeerde formulering van de argumenten van Mises en Hayek), tracht hij vooral te redeneren: 'wat als ik een centrale planner zou zijn; welke problemen zouden er dan gebeuren'? Niet dat hij deze methode expliciet maakt, maar ik heb het gevoel dat dit zijn methode was. De problemen die hij aanhaalt zijn, in mijn ogen, inderdaad problemen die je kan detecteren indien je eens logisch doordenkt welke problemen je zult tegenkomen als je een economie centraal zult plannen.

De interne dilemma's zijn:
  1. De afweging tussen legitimatie enerzijds en efficiëntie anderzijds. De essentie van zijn case is redelijk eenvoudig (maar ook redelijk briljant). Planeconomieën [i]plannen[/i] in hun economie. Maar zij zijn in staat om hun plannen altijd aan te passen. Op deze manier kan je vlak voor een plan ten einde komt, het zodanig veranderen dat je triomfantelijk kan verkondigen dat het gelukt is het plan te bereiken. Maar de vraag in welke mate dit efficiënt is om te bereiken wat je wenst te bereiken voor he bevolking, is maar de vraag. Andere issues die hier aangeraakt worden (maar al bekend zijn), zijn het probleem van de kennis - hoe kan je weten wat te plannen - hoe kan je ervoor zorgen dat mensen gemotiveerd zijn om het plan uit te voeren (beloning/bestraffing),
  2. Het tweede interne probleem (hoofdstuk 4) gaat tussen de trade off tussen efficiëntie enerzijds en het nemen van middelen anderzijds. Dit hoofdstuk heeft het meest economische karakter, vermits hier vragen zoals 'voor wie te produceren' en 'hoe te produceren' worden gesteld, met de trade offs die de planners zullen hebben. Hierbij wordt dan duidelijk gemaakt dat deze keuze toch niet zo evident is als men wel eens tracht te denken.
  3. In het vijfde hoofdstuk wordt een visie op geld uitgewerkt is bekend, maar (zover ik weet) nog niet toegepast op een planeconomie. Het centrale punt is dat de overheid, wegens het monopolie op het verspreiden van geld, de geldhoeveelheid kan inflateren om aan herverdeling te doen, krediet beschikbaar te maken, etc. De vraag die ik me stel is in welke mate dit nog nodig is, gegeven dat in een planeconomie de overheid de facto beschikking heeft over alle productiemiddelen. Volgens mij wordt hier al impliciet rekening gehouden met het feit dat de overheid niet 'alles' kan collectiviseren, waardoor er nog steeds een noodzaak is tot herverdeling.
  4. In het zesde hoofdstuk gaat het over de trade offs tussen rantsoeneren en consumentensoevereniteit. Indien ze voluit kiezen voor consumentensoevereniteit zal er op termijn meer tenemen zijn (wegens de waarschijnlijke verhoogde productiviteit van demensen), maar nemen ze risico dat op korte termijn het systeem omver geworpen wordt. Indien ze voor rantsoeneren kiezen, hebben ze het omgekeerde probleem: korte termijn stabiliteit voor lange termijn onzekerheid. De trade offs hiertussen is een trade off die de planners moeten maken. Overwegingen van de middelen die aan directe consumptiegoederen worden gegeven en overwegingen wat aan productiemiddelen wordt geïnvesteerd, is een verwante issue. (De auteur zou, mijn inziens, zeker gebaat zijn bij een uitgebreidere kennis van de Oostenrijkse school; zijn opmerkingen in deze materie zijn redelijk, maar oppervlakkig.)
  5. Het voorlaatste probleem is het probleem van de militaire macht. Het 'systeem' moet zowel zich kunnen wapenen ten opzichte van vijanden en zich wapenen ten opzichte van mogelijke opstanden. Het probleem is dat innovatie echter moeilijk te 'plannen' is, waardoor het systeem (volgens de auteur) altijd achter de feiten aanloopt (en dit moet compenseren door een veel grotere uitbouw van de middelen van het status quo).
  6. Het laatste probleem dat hij ziet is de mate waarin het systeem interageert met andere landen. Hij beargumenteer hier dat alleen de accumulatie van buitenlandse schuld in staat zal stellen de middelen vanhet buitenland te bemachtigen, met alle potentiële problemen die daarbij kunnen ontstaan.
Dit is, ongeveer, de essentie van de argumentatie van het boek. Ik vond het persoonlijk niet super denderend, maar mensen die geïnteresseerd zijn in een meer sociologische, orthodoxe benadering van de problematiek in een planeconomie, kan in dit boek wel wat zaken aantreffen die interessant zijn. Maar de rare manier van schrijven maakt het geheel niet alte eenvoudig om te begrijpen.

maandag 21 december 2009

Review: Ethics as a Social Science

Ethics as a Social Science: the Moral Philosophy of Social Cooperation ~ Leland Yeager

Je kan David Gordon (geassocieerd met het Mises Institute) zijn review hier vinden.

Het eerste wat er gezegd moet worden is dit: Frank van Dun komt aan bod in dit boek! Zij het heel kort met enkele referenties - maar daarom niet minder relevant! Het leuke is dat hij aan bod komt met typische opmerkingen, i.e. 'might doesn't make right' opmerkingen. Maar goed; tot zover deze noot, die toch wel gemeld moest worden.

Yeager probeert in dit boek een fundering te leggen van (regel-)utilitarisme. Hij doet dit niet door zomaar de argumenten voor het utilitarisme te bespreken, maar door uitgebreid in te gaan op de geschiedenis van het utilitarisch denken, met het bespreken van verschillende soorten utilitarisme en de sterke en minder sterke punten. Hij heeft zelfs een hoofdstuk waarin hij alternatieve doctrines van sociale omgang bespreekt (en bekritiseert). Het valt zeker op dat hij een belezen auteur is, zowel van de klassiekers als van de moderne literatuur.

Het boek zou ik indelen in 4 delen en een afsluiter. Het eerste deel zijn de eerste 4 hoofdstukken waarin hij opbouwt naar zijn argumenten voor indirect rule-utilitarism. Het tweede deelzijn hoofdstukken 5 tot en met 9 waarin hij allerlei moeilijkheden en typische kritieken op het utilitarisme bespreekt. Het derde deel is hoofdstuk 10 waarin hij duidelijk andere mogelijke ethische doctrines bespreekt. Het vierde deel is het 11 hoofdstuk waarin hij de relatie tussen de wet, overheid en beleid uitlegt vanuit utilitaristisch (en andere) perspectieven. Het 12de hoofdstuk is de eenvoudige afsluiter; een herhaling van het centrale punt.

In het eerste hoofdstuk bespreekt hij de relatie tussen ethiek en economie. Niets veel nieuws onder de zon: het zijn 2 verschillende wetenschappen en we moeten het onderscheid goed uit elkaar houden. In het tweede hoofdstuk bespreekt hij 'some fundamentals'. Wat hij hier doet, is enkele termen uitleggen en het debat wat plaatsen in de geschiedenis van ideeën. (Er is hier ook een appendix over het concept de vrije wil en ethiek.) In het derde hoofdstuk bespreekt hij op evolutionary grond 'the origins of ethics'. Hayek en Hume worden hier bij veelvuldig aangehaald. Zaken zoals de relatie tussen altruïsme en natuurlijke selectie, culturele selectie, het verspreiden van altruïsme, etc. worden hierbij besproken. In het vierde hoofdstuk 'the case for indirect utilitarnism' komt zijn hoofdargument naar boven. Hierin bespreekt hij waarom indirect (dus niet rechtstreeks 'we moeten elke handeling berekenen of dit het nut maximaliseert op kortzichtige wijze') rule ('we moeten gehoorzamen aan abstracte regels') utilitarisme het ideaal is. Hij doet dit vooral via een contrastering met 'direct' 'act' utilitarisme.

Het tweede deel bespreekt, zoals gezegd, de typische kritieken op utilitarisme. Het gaat bijvoorbeeld in hoofdstuk 5 over het vraagstuk van 'what counts as utility?' Moeten we het agregeren, maximaliseren, sommige voorkeuren wel relevant achten en anderen niet? In hoofdstuk 6 hebben we het typische 'the alleged problem of agreggation'. Utilitaristen krijgen vaak op hun bord het concept dat ze zoeken naar agregate voorkeuren, maar dit is epistemologische onzin. Yeager tracht hier uit te leggen dat zijn doctrine dit probleem niet heeft. Het 7de hoofdstuk vraagt zich af 'is utilitarinism immoral?' Hier worden lifeboat situations en andere zakenbesproken; zaken waarbij men enkele individuen zou opofferen voor het 'nut' van een groter aantal mensen. In hoofdstuk 8 wordt de relatie tussen 'altruism and self-interest' besproken. In het 10 hoofdstuk wordt de relatie tussen 'duty and universablizability' besproken in het utilitarisme.

In hoofdstuk 10 bespreekt hij 'rivals of utilitarinism'. De natural rights doctrine, contractarians, etc. In het laatste deel - simpelweg hoofdstuk 11 - bespreekt hij dan de beleidsimplicaties die hieruit volgen. Ook bespreekt hij de verhouding tussen zijn ethisch kader en libertarisme en andere ethische kaders (zoals het Rothbardiaans naturrechtsdenken) en libertarisme. Enkele opmerkingen daarover volgen nog. Het laatste hoofdstuk is simpelweg een herhaling van enkele centrale argumenten.

Elke keer als ik een boek lees, waarvan ik weet dat ik het ga bespreken, hou ik er een papier bij waarbij ik de zaken noteer die ik zeker wil bespreken. Helaas ben ik het papier kwijt geraakt. Gelukkig heb ik nog uit mijn hoofd een aantal (en het zijn er wel een aantal) zaken kunnen opschrijven, die ik nu ga bespreken.

In het hoofdstuk over het probleem van agreggatie bespreekt hij voorbeeld een plan van een filosoof om te 'meten':
Yew-Kwang Ng suggests a modified-total criterion of population size: the maximand is not average utility multiplied by the straight-forward population figure (that is, total utility) but average utility multiplied by a figure that rises with population, but less fast, approaching an asymptote. Although NG does not explicitly write it down, the formula for his multipliet is:

(a^n - 1)/(a - 1)

where N is polulation and a is parameter between 0 and 1 governing how much less fast that population the multiplier rises and indicating between the extremes the compromise criterion lies.
Yeager schrijft hierover:
This formulation does not nessarily express an anti-indidualistic philosophy
Het punt is echter dat dit noodzakelijkerwijze een anti-individualistische filosofie 'uitdrukt'. Het hoeft niet noodzakelijk te zijn dat dit een anti-individualistisch visie op 'beleid' of 'sociale relaties' hoeft te betekenen, i.e. men zou nog steeds (daar ga ik niet verder op in) een liberaal-anarchistische samenleving kunnen bepleiten op basis van deze calculus. Maar de redenering is noodzakelijkerwijze anti-individualistisch. Het gaat hier over de bevolking als geheel, nut als geheel, etc. Het is perfect mogelijk om een anarchistische omgang te beargumenteren op anti-individualistische gronden; en dit is een voorbeeld daarvan. Deze redenering - ongeacht de conclusies die daaruit volgen - is door en door anti-individualistisch en moet, in mijn ogen, daarom verworpen worden als onderdeel van het liberaal individualisme. (Dus ja; er bestaat zoiets als liberaal collectivisme. Ik zelf denk dat een Rawlsiaan framework perfect gebruikt kan worden om anarchisme te bepleiten; maar dan zou wel het een liberaal-anarchistische collectivisme zijn, i.e. de argumenten zijn van collectivistische aard.)

Een ander (groot) probleem dat ik had, is op pagina 222. Hij bespreekt hier in een paragraaf (die in het totaal nog geen blad lang is) het Aristoteles natuurrechtsdenken. Dit natuurrechtsdenken is doorgaans van de redenering 'mensen zijn eigenaar over zichzelf', 'zij moeten zichzelf kunnen ontwikkelen', 'private eigendom laat dit toe', 'ergo: private eigendom is gerechtvaardigd en geweld niet'. De redenering steunt heel hard op enkele karaktrekken die 'natuurlijk' zijn aan de mens en daaruit volgt dan een rechtskader. Hij besluit met: 'Well of course human beings have characteristics that distinguiqsh them from other animals, including their conscious pursuit of goals and their need, if they are to flourish, for cooperation within functioning societies. But these are empirical facts, recognized by utilitarians as well as by rights theorists, and they do not by themselves establish rights or generate any other normative propositions.' (zijn benadrukking) Maar zijn 'weerlegging' is simpelweg de vraag ontwijken (en dus helemaal geen weerlegging!) Het punt is juist dat de natuurrechtsdenken vinden dat hieruit wel degelijk normative zaken volgen - zaken die behoren tot 'wij behoren x wel te doen' en 'wij behoren y niet te doen'. En daarvoor bouwen zij redeneringen uit - redeneringen die Yeager simpelweg opzij schuift. Ik heb gezocht, maar vind verder geen weerlegging van het natuurrechtsdenken (buiten een uitgebreid stuk over Rothbard zijn framework, maar daarover sebiet meer). Als dit zijn weerlegging is van het dominante alternatief in het liberale spectrum in het algemeen, dan vrees ik dat Yeager niet heeft gedaan wat hij hoopt te doen.

Een laatste tekstspecifieke opmerking is zijn bespreking van Rothbard (pagina 276-281). Iedereen die bekend is met het Rothbardiaans framewor, zou zeker die pagina's moeten lezen (als ook de bespreking daarvan in Gordon zijn review.) Yeager bekritiseert het Rothbardiaans framework om uit enkele axioma's conclusies te trekken op deductieve wijze. Maar Yeager weerlegt noch de axioma's, noch de redenering zelf; waarom zouden we dan Yeager zijn afwijzing moeten accepteren? Puur op basis van onze intuïties? Of op basis van utilitaristische beslommeringen? Maar zelfs die utilitaristische beslommeringen worden ons niet gegund. Hiermee heb ik niet gezegd dat Yeager geen enkele punten heeft die bij mij ook al opgekomen waren. Rothbard beschouwt bijvoorbeeld alles dat geen agressie is tegen fysieke eigendom als 'geen enkel probleem'; 'libel' en 'slander' moeten, in een Rothbardiaanse wereld, perfect mogen (ook al betekent dit niet dat Rothbard dit moreel gerechtvaardigd acht; hij maakt simpelweg een (terecht) onderscheid tussen dat wat moreel toegelaten en niet toegelaten is en dat gene dat juridisch toegelaten behoort te zijn en dat wat niet juridisch toegelaten behoort te zijn; waar Rothbard en de meeste mensen zich anders op verhouden is op de kwestie wat in welke categorie hoort). Yeager zegt dat hij het raar vindt dat Rothbard zich zo focust op deze agressie jegens fysieke eigendom omwille van: 'Such a sharp distincion between the material and the nonmaterial seems odd, incidentally coming from an economist of the Austrian school, which puts so much emphasis on the subjective aspect of commodities and of human affairs generally.' Ik ben geneigd met dit punt akkoord te gaan, zonder daarmee te concluderen dat Rothbard per se verkeerd is. Alleen dat ik op dit moment van mening ben dat nader onderzoek wel degelijk nuttig kan zijn.

Een groter probleem zie ik met deze paragraaf:
Another questionable position of libertarian ethics of the Rothbardian stripe is to regard crime as a kind of private transaction between culprit and victim (recall the discussion earlier in Chapter 11). If the victim chooses to forgive him, the culprit is properly no more subject to legal prosection than a debtor whose debt his creditor has forgiven.
But consider a mugging. Who happens to be the victim on a particular occasion is a matter of chance, and the victim is hardly entitled to forgive the mugger or make a private settlement with him. Potential victims and members of society in general have suffered invasion of their peace and security. Where does the accidental actual victim get authority to speak for them?

Ik heb geen idee waar Yeager zat met zijn gedachten hier, maar hier zie ik toch enkele fouten in. Ofwel zijn 'andere mensen' ook het slachtoffer geworden van de daad, ofwel niet. Indien wel: dan hebben zij (natuurlijk) ook het recht een akkoord te sluiten met de dader. Indien niet: dan hebben zij te zwijgen. Yeager spreekt hier over een 'members of society', maar hij kon evengoed spreken over 'society' als geheel. Er is echter geen reden om de holistische toer op te gaan van 'de samenleving' in het geheel. In elke handeling (ook de criminele) gaat het tussen 2 partijen. Het kan goed zijn dat er een zekere vorm van externaliteiten zijn - en er zijn mogelijk redenen dat deze externaliteiten ook een vorm van rechtsbreuk betekenen. Maar dat is geen reden om ineens te beginnen over de 'rechten van anderen'; ofwel zijn deze slachtoffers (en hebben ze recht op restitutie) ofwel niet.
Ik zie dus geen probleem met het feit dat soms criminelen 'vergeven worden' en op deze manier niet meer hoeven te vrezen voor een formele straf. Informele straffen zijn echter nog goed mogelijk: als de overval in een winkelcentrum gebeurt, is het perfect mogelijk dat de persoon in kwestie geen toegang meer krijgt tot het winkelcentrum. Gelijkaardige redeneringen kan je maken voor allerlei soorten van plaatsen.
Ik zie ook niet goed de relevantie van de redenering dat het slachtoffer 'toevallig' is; geluk en ongeluk speelt een rol in de samenleving. Net zoals het 'geluk' is dat iemand in een rijk gezin geboren wordt in plaats van in een arm, volgt er geen probleem van extre beslommeringen als het 'geluk' is dat er iemand overvallen is die geen probleem heeft met zijn overvaller te vergeven.

Mijn algemene conclusie is dat zijn basis framework flauw is. 'k heb niet het gevoel dat hij echt overtuigende, uitdagende argumenten heeft gegeven voor het utilitarisme. Hij neemt uitgebreid zijn tijd om het belang van ('abstracte', 'algemen') regels te beargumentere, maar daaruit volgt geen utilitarisme. De meest uitdagende kritiek - die hij niet heeft beantwoord, misschien omdat hij die niet kent - die ik heb tegen het utilitarisme is simpelweg het volgende. Een utilitarist kan niet veel meer tegen een dief, een verkrachter of een moordenaar zeggen dan: 'het spijt me, maar dit is verkeerd. Dit is niet zozeer verkeerd omdat je het slachtoffer behandelt op een fundamenteel ontoelaatbare wijze, maar omdat, als iedereen zo zou handelen, dan zou er van een samenleving en algemeen geluk simpelweg niet veel in huis komen.' Indien een utilitarist iets anders zou zeggen - als het puntje bij paaltje komt - erkent hij dat het utilitarisme onvoldoende is.

Het boek in het algemeen is echter niet zo slecht als je misschien zou denken van de kritische opmerkingen die ik hier gegeven heb. Er zijn goede besprekingen van de relatie tussen moraliteit en politiek. (Alhoewel dat Yeager er op wijst dat er een verschil is tussen wat een onderdeel is van moraliteit enerzijds en van juridische interactie (met coercion als straf), heb ik toch het gevoel dat hij soms zelf het onderscheid - door zijn utilitarisch kader - niet uit elkaar houdt. Het op eenzelfde lijn zetten van het opblazen van een persoon om enkele anderen te redden met het al dan niet houden van een rechtsfilosofisch irrelevante belofte, lijken mij een probleem voor het utilitarisch kader, maar niet voor het natuurrechtsdenken.)

Ook hoofdstuk 3 - over het ontstaan van ethische regels van omgang - is zeker de moeite waard, indien het onderwerp je interesseert. Het boek haalt ook vaak zaken aan om de lezer zelf te laten denken, zonder echt definitieve antwoorden te geven.

Ik ben ook van oordeel dat ik door het boek beter in staat ben om mijn mening over natuurrecht enerzijds en het belang van regels anderzijds te nuanceren. Het staat voor mij (nog steeds) vast dat het alpha van sociale omgang de individuele rechten (en eigendomsrechten) van individuen zijn. (Michael Bauwens zijn essay Rights, Robinson Crusoe and Friday is een sublieme beargumentering van de grondslag van rechten.) Maar het individuele eigenomsrecht kader kan echter niet het enige zijn; er zijn rechtsregels nodig om ingewikkelde sociale interactie te organiseren. Bijvoorbeeld: de vooronderstelling van onschuld bij een rechtszaak is niet iets dat logischerwijze volgt uit individuele rechten. De relaties tussen 'tortlaw', 'contractlaw' en al de rechtsregels die daarbij spelen zijn niet per se allemaal noodzakelijkerwijze deductief af te leiden van rationeel beargumenteerbare rechtsfundamenten. In welke mate moeten we voorzichtig zijn (en zijn we dus verantwoordelijk voor de gevolgen die anderen ondergaan)? Hebben we recht op 'stilte'? Etc.

Een ander relevant punt is dat het 1 ding is om te beargumenteren dat diefstal rechtsfilosofisch verkeerd is, maar het is een ander ding om in de praktijk vast te stellen of een bepaalde praktijk valt onder het punt 'diefstal'. De geschiedenis van de juridische beslissingen in (meer) gedecentraliseerde systemen - vooral iemand als Richard Epstein heeft daar veel over geschreven - zijn een opeenstapeling van niet al te eenvoudige cases, zelfs voor een clear/cut rechtsdenken.

Er is dus zeker plaats voor het belang van regels in een samenleving. Maar het kan niet zijn dat de ethische fundering van deze regels een utilitaristisch kader is. Yeager heeft geen overtuigende argumenten tegen het rechtsdenken gegeven en heeft ook niet doorslaggevend beargumenteert waarom we zijn kader moeten aanvaarden. De centrale essentie van het boek is niet overtuigend, doch iedereen die geïnteresseerd is in literatuur over het utilitarisme, kan zeker wat leren uit dit boek. Maar het is geen boek dat ik op de 'zeker te lezen literatuur' zou zetten, vanuit mijn perspectief.