Posts tonen met het label Liberalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Liberalisme. Alle posts tonen

woensdag 11 juli 2012

Literatuurlijst tekst 2: Spontane orde.

De tweede tekst die terug te vinden is in deze literatuurlijst heet voluit "From Smith to Menger to Hayek: Liberalism in the Spontaneous Order Tradition" van de hand van Steven Horwitz. Zoals hij in de inleiding uiteenzet en uit de titel valt af te leiden, is hij van plan de spontane orde-traditie binnen het liberalisme voor het licht te houden en aan te tonen dat de kritiek die door linkse intellectuelen geuit wordt op de traditie die is ontstaan met de Verlichting niet volledig terecht is. Zijn stelling gaat dat deze te veel gericht is op de Engelse en Franse liberale 'school', maar faalt omdat zij nalaat rekening te houden met de Schotse Verlichting. Inhoudelijk biedt de tekst een beter begrip van het concept "spontane orde(s)", hoe Smith, Menger en Hayek deze concipiëerde. Daarnaast onderzoekt de paper welke rol deze spontane orde gespeeld heeft bij het ontwikkelen van sociale instituties en, meer bepaald, hoe de Schotse liberale traditie dit zag.

Een eerdere blogpost haalde al de essentie aan; een analyse of 'conceptie' van een samenleving door een 'spontane orde'-bril erkent of gaat om met drie essentiële punten: (1) de erkenning dat menselijke kennis inherent beperkt is, (2) (al dan niet spontane?) instituties zijn er op gericht expliciete en impliciete kennis ter beschikking te stellen, (3) onderzoek naar ontwikkelingen die het ontstaan van dergelijke instituties kunnen beperken. Volgens Horwitz dienen we een "spontane orde" te begrijpen als een bottom-up proces, "products of human action but not human design" (p. 3). Een spontane orde komt tot stand als een 'unintended consequence', een a.h.w. toevallige bijkomstigheid van verschillende actoren die elk hun eigen doelen achterhalen. Zo wees Smith er op dat "self-love", eigenbelang, een mogelijke oorzaak van het ontstaan van sociale orde(s) kan uitmaken. Immers, zo gaat het argument, in een toenemende 'anonimiserende' samenleving waarin je omgaat meLinkt personen waarmee je niet bekend bent, zal je deze moeilijk(er) met emotionele argumenten kunnen overtuigen; "direct knowledge about the other is almost always unavailable". Pas indien beide partijen beroep doen op hun eigenbelang en zo een common ground vinden, bestaat er de mogelijheid dat hun acties navolging vinden in het gedrag van anderen en aldus er, onbedoeld, een 'sociale orde' gecreëerd wordt. Deze sociale orde bestaat uit "practices, rules, institutions, and so forth that have developed not because human actors rationally foresaw their likely benefits and deliberately, consciously constructed them, but rather because they are unintended consequences of various human actors’ pursuit of their own purposes and plans."

Later gaat de tekst in op een kritiek waarmee critici het liberalisme vaak mee trachten te confronteren, namelijk het verwijt dat dit gericht zou zijn op atomaire individu's die louter gericht zijn op het maximaliseren van hun eigenbelang, levend op hun eigen eilandje etc ... Een uitspraak die Boudewijn Bouckaert op een welbepaald debat tot volgende uitroep dreef, "Maar wie zijn dan in godsnaam deze atomisten? Ik ken er geen! (geparafraseerd)" Horwitz wijst erop dat dit een kritiek is die eerder toekomt aan deze politiek-economische modellen (zelf noemt hij de neoklassieke stroming) die als uitgangspunt de 'homo economicus' hanteren. Deze Schotse traditie daarentegen stelt dat "human beings are hardly atomistic, hyperrational, utility maximizers. Instead, they are products of the institutional environment in which they operate." Zij wil a.h.w. mensen erkennen als zij zijn: feilbaar, gelimiteerde kennis, als het even niet meer kan irrationeel. Naast het feit dat mensen ten gronde sociale wezens zijn, zijn het ook deze gebreken die ons er toe brengen ons te laten verstaan met anderen. 'Atomisme' sensu stricto lijkt dan ook juist tegengesteld aan de these die hier naar voor wordt gebracht.

Horwitz gaat verder en stelt onverdroten en m.i. correct het volgende: "In fact, the case for this kind of liberalism is predicated on our ignorance. Because so much of our knowledge is tentative, fragmented, and tacit, we require the use of spontaneously evolved social institutions to generate social order." Dit lijkt dan ook de essentie van het betoog uit te maken en tevens een verdoken raad; het is onze eigen intellectuele integriteit, eerlijkheid maar vooral nederigheid (het besef dat onze kennis beperkt is) gecombineerd met het streven naar ons eigenbelang (wat elke persoon zo ruim als hij wil kan invullen) dat ons samen brengt.




maandag 22 november 2010

Liberalism - Introductie

Binnenkort is er een boekbespreking van Liberalism (Mises). Daarom wordt het zo ongeveer tijd om me wat voor te bereiden. Daarom deze blogreeks.

De wijze waarop ik het boek indeel zal min of meer willekeurig zijn (maar wel chronologisch). (Stoppen als ik zin heb om te stoppen met bloggen.) Vandaag gaan we ons focussen op de inleiding.

1. Liberalism
Nevertheless, brief and all too limited as the supremacy of liberal ideas was, it sufficed to change the face of the earth. A magnificent economic development took place. The release of man's productive powers multiplied the means of subsistence many times over.
Interessant hoe Mises al direct de gelijkenis trekt tussen 'kapitalisme' en 'liberalisme': het toelaten van een beetje/gedeeltelijk liberalisme zorgt al direct voor een uitbarsting van de productieve mogelijkheden.

It was precisely in the countries that had gone the farthest in adopting the liberal program that the top of the social pyramid was composed, in the main, not of those who had, from their very birth, enjoyed a privileged position by virtue of the wealth or high rank of their parents, but of those who, under favorable conditions, had worked their way up from straitened circumstances by their own power. The barriers that had in earlier ages separated lords and serfs had fallen. Now there were only citizens with equal rights. No one was handicapped or persecuted on account of his nationality, his opinions, or his faith. Domestic Political and religious persecutions had ceased, and international wars began to become less frequent. Optimists were already hailing the dawn of the age of eternal peace.

Een standaard pleidooi dat 'liberalisme' zorgt voor gelijke rechten en een marktgedreven meritocratische samenleving. Belangrijk is misschien op te merken dat deze meritocratie gebaseerd is op marginale productiviteit, i.e. door de markt bepaald en geen 'morele' meritocratie en dergelijke.

If there are liberals who find it compatible with their liberalism to endorse the nationalization of railroads, of mines, and of other enterprises, and even to support protective tariffs, one can easily see that nowadays nothing is left of liberalism but the name.

Gekend probleem...

Liberalism is not a completed doctrine or a fixed dogma. On the contrary: it is the application of the teachings of science to the social life of man. And just as economics, sociology, and philosophy have not stood still since the days of David Hume, Adam Smith, David Ricardo, Jeremy Bentham, and Wilhelm Humboldt, so the doctrine of liberalism is different today from what it was in their day, even though its fundamental principles have remained unchanged.

Het interessante is hier de relatie die Mises legt tussen de sociale wetenschappen en liberalisme. Blijkbaar is liberalisme een applicatie van deze leer, i.e. een 'wetenschappelijk liberalisme' - we kennen doorgaans wel het (gefaalde) wetenschappelijk socialisme. Blijkbaar ziet Mises iets gelijkaardig, maar dan in het liberalisme.
Ook interessant dat hij de complete etatist Jeremy Bentham ook als liberaal voorstelt. 'k hoop dat dit ergens wordt uitgelegd, want er is weinig in Bentham dat echt als liberaal voorgesteld kan worden.
Spijtig dat Mises niet meer uitlegt wat hij zoal ziet als die 'veranderingen', want dat zou nog wel eens interessant kunnen zijn, i.e. de evoluties die hij ziet in het liberalisme.

2. Material Welfare

In the last analysis, it has nothing else in view than the advancement of their outward, material welfare and does not concern itself directly with their inner, spiritual and metaphysical needs. It does not promise men happiness and contentment, but only the most abundant possible satisfaction of all those desires that can be satisfied by the things of the outer world.

Mises zijn utilitarisme wordt wel heel snel duidelijk, i.e. het gaat over het 'satisfaction of all those desires that can be satisfied by the things of the outer world'. Het gaat dus niet over rechten as such, maar over het vervullen van voorkeuren. Het probleem is echter: wat als er inconsistente voorkeuren zijn. ('Verkrachting' as such kan als zo'n incompatibiliteit van voorkeuren gelden, maar op basis van Mises zijn theorie: waarom zou dat afgekeurd moeten worden onder bepaalde voorwaarden?)

Op het verwijt dat liberalisme 'alleen' maar gaat over zo'n doeleinden, zegt hij:

Social policy, with the means that are at its disposal, can make men rich or poor, but it can never succeed in making them happy or in satisfying their inmost yearnings.

Hij zit er recht op: als iemand zegt 'ja, maar dat maakt iemand niet gelukkig', dan is het maar de vraag hoe overheidsbeleid - wat een herverdeling van materiële middelen is - wel kan zorgen voor 'geluk' en dergelijke. Geluk is een (psychologische) relatie tussen wat men heeft en wat men wilt - lijkt mij. Hoe je dat kan oplossen met materiële herverdeling alleen is maar de vraag.

3. Rationalism

Liberalism does not say that men always act intelligently, but rather that they ought, in their own rightly understood interest, always to act intelligently.

Dit vond ik eigenlijk een intrigerende uitspraak. Wat betekent dat: 'they ougt, in their own rightly understood interest, always to act intelligently'? En waarom is dit soort micro-opmerkingen ineens relevant voor een, in essentie, macro-sociaal fenomeen zoals politieke filosofie? (Vermits dat politieke filosofie gaat over het organiseren van een samenleving in zijn geheel en de regels die daarbij gelden, is het raar dat hij ineens spreekt dat mensen 'intelligent' moeten handelen aldus liberalisme.) De essentie wordt daarna duidelijk: Mises bedoelt dat we niet alleen 'intelligent' handelen in ons eigen leven: hij geeft het voorbeeld van iemand die de straat wenst over te steken zal (doorgaans) niet oversteken als er een auto aankomt (of, beter, als hij meent dat er een auto aankomt). Het interessante, aldus Mises, is het verschil tussen deze vormen van intelligent handelen en politiek beleid:

Only in the sphere of social policy, it is thought, should it be otherwise. Here, not reason, but feelings and impulses should decide. (...) The organization of human society according to the pattern most suitable for the attainment of the ends in view is a quite prosaic and matter-of-fact question, not unlike, say, the construction of a railroad or the production of cloth or furniture. (...) But however lofty may be the sphere in which political and social questions are placed, they still refer to matters that are subject to human control and must consequently be judged according to the canons of human reason. In such matters, no less than in all our other mundane affairs, mysticism is only an evil. Our powers of comprehension are very limited. We cannot hope ever to discover the ultimate and most profound secrets of the universe. But the fact that we can never fathom the meaning and purpose of our existence does not hinder us from taking precautions to avoid contagious diseases or from making use of the appropriate means to feed and clothe ourselves, nor should it deter us from organizing society in such a way that the earthly goals for which we strive can be most effectually attained. Even the state and the legal system, the government and its administration are not too lofty, too good, too grand, for us to bring them within the range of rational deliberation. Problems of social policy are problems of social technology, and their solution must be sought in the same ways and by the same means that are at our disposal in the solution of other technical problems: by rational reflection and by examination of the given conditions.

in dit belangrijke deel legt Mises zijn absolute fundering voor zijn 'wetenschappelijk liberalisme'. (Voor alle duidelijkheid: dit is een term die ik gebruik om zijn relatie tussen positieve analyse en normatieve voorstellen te beschrijven.) Het punt dat hij maakt is dat de sociale wetenschappen een rationeel inzicht kunnen hebben in de werkelijkheid - er is geen 'mysticisme' - en dat op basis daarvan we beleid kunnen vorm geven. Merk op dat Liberalism dateert van de grote canonieke werken als Human Action & Theory and History, maar na 'socialism' en 'theory of money and credit', waarin de grondbeginselen van zijn theorie al worden uitgelegd. (Noot: eigenlijk vind ik zijn voorstelling van liberalisme en de fundering van een samenleving beter in de eerste hoofdstukken in Socialism dan in Liberalism, wat ik niet zo'n denderend boek vind. Maar goed.)
Mises zijn punt is dat we de regels in een samenleving op een rationele manier kunnen organiseren op zo'n manier dat onze samenleving het beste de 'aardse' doelen kunnen bereiken, i.e. het maximaliseren van onze (materiële) doelen. We kunnen ook voor het juridische systeem 'rational deliberation' hebben. Voor zij die even een vergelijking wensen: we kunnen hier Hayek zijn visie over een een 'gegroeide' orde tegenover stellen, i.e. de idee dat de meest efficiënte instituties geen (of nauwelijks) een onderdeel zijn van rationele, weloverwegen evolutie. De vraag is niet zozeer of dat instituties op zo'n weloverwogen manier tot stand zijn gekomen dat ze het meest efficiënt zijn voor iedereen - duidelijk moeten we zeggen van niet (feodaliteit, mercantilisme, etc.) maar de kernvraag is wel of dat het mogelijk is om daar op een rationele manier over te praten. Hayek laat soms uitschijnen dat dit (nauwelijks) mogelijk is. Hoe kunnen we deze 2 ideeën, van deze twee denkers, samen laten komen?
Me dunkt dat Mises correct is door te stellen dat een rationeel inzicht in wat werkt tegenover wat niet werkt wel degelijk klopt: bv. socialisme kan niet, wegens het gebrek aan een prijssignaal. (De reden waarom is al lang en breed bekend.) Hayek zijn punt kan echter hiermee in overeen stemmen als we een onderscheid maken tussen het concrete en het abstracte - zoals zo vaak. Mises heeft gelijk dat op een abstract niveau je de concepten 'private eigendom', 'ruil' en 'prijzen' nodig hebt om een samenleving te vormen. Hayek is echter correct door te stellen dat deze concepten op verschillende manieren concreet ingevuld kunnen worden. Het ruilmechanisme kan op verschillende manieren ingevuld worden: verschillende manieren kunnen een ruil betekenen, eigendomsafbakening en -definiëring kunnen op verschillende manieren gebeuren en dergelijke meer.
Het probleem met Mises hier is dat hij veel te snel overspringt van 'ja, het gaat allemaal op basis van rationele deliberatie' naar 'en daarom moeten we liberalisme hebben'. Mises zag - denk ik - geen diversiteit in verschillende mogelijkheden van eigendom, ruil en dergelijke; waardoor hij dit niveau effectief alleen maar zag als het definiëren en afdwingen. Zoals Rothbard al opmerkte is dat echter niet genoeg: het marginaal nut van verschillende 'afdwingingmogelijkheden' moeten afgewegen worden (en dat kan alleen maar in een competitief waarderingsproces). Maar wat Rothbard ook niet zag, denk ik, is dat eigendom as such ook problematisch was, waardoor dat ook door een competitief proces zou moeten gebeuren. Ik denk dat daar de kern ligt waardoor Rothbard nooit Mises heeft kunnen overtuigen om zijn beperkt minarchisme te verlaten. Maar deze opmerkingen compleet terzijde.

4. The aim of Liberalism

Liberalism has always had in view the good of the whole, not that of any special group. It was this that the English utilitarians meant to express-although, it is true, not very aptly-in their famous formula, "the greatest happiness of the greatest number." Historically, liberalism was the first political movement that aimed at promoting the welfare of all, not that of special groups.

'k heb wel serieus mijn twijfels bij dit punt van Mises. De engelse utilitaristen - Bentham en Mill - die dit zeiden schreven dit voor als een beleidsmaatregel, die best wel eens zou kunnen slagen op het feit dat er moet herverdeeld worden van de 'enkelen' naar de 'velen' - we mogen niet vergeten dat interpersoonlijke utilititeitsberekeningen wel degelijk gebruikt zijn voor de legitimering voor de redistributieve ideologie op een overheidsgecontroleerde manier. Mises claimt hier - ongeveer - zoiets als 'het liberalisme streeft naar een manier om zoveel mogelijk mogelijkheden te creëren voor iedereen en dit wordt uitgedrukt in die bepaalde slogan'. Maar zover ik het weet is het omgekeerd: die slogan zou de norm moeten zijn voor politiek beleid en derhalve contingent aan het politiek beleid dat daaruit zou volgen. Als iemand mij daar literatuur over kan aanraden, dan graag; maar volgens mij zit Mises hier wel degelijk verkeerd.

Liberalism is distinguished from socialism, which likewise professes to strive for the good of all, not by the goal at which it aims, but by the means that it chooses to attain that goal.

Hier stelt Mises dat het grote verschil dus niet zit in het 'doel' maar in de (sociale) 'middelen', i.e. de regels die beide ideologieën naar voor schuiven. Dit heeft een zekere aantrek, maar toen al waren er 'morele' redenen zoals gelijkheid (van kansen) for the sake of gelijkheid; dus het is mij niet volledig duidelijk dat dit correct is. Mises zegt, inderdaad, in Socialism dat alle ideologieën zeggen 'ach, onze ideologie zal meer middelen creëren' maar er is nog wel degelijk een verschil: daar waar het socialisme zegt dat de rijken daadwerkelijk minder mogelijkheden mogen hebben om deze te creëren voor de zwakken, zegt het liberalisme dat niet. Dus het is niet 'zomaar' een gelijkheid; alhoewel dat je wrslk wel kan argumenteren dat dit niet zo relevant is en dat in 'the grand scheme of things' beide zeggen dat ze meer welvaart voor de grote massa zullen creëren.

Reasonable action is distinguished from unreasonable action by the fact that it involves provisional sacrifices. The latter are only apparent sacrifices, since they are outweighed by the favorable consequences that later ensue. The person who avoids tasty but unwholesome food makes merely a provisional, a seeming sacrifice. The outcome—the nonoccurrence of injury to his health—shows that he has not lost, but gained. To act in this way, however, requires insight into the consequences of one's action. The demagogue takes advantage of this fact. He opposes the liberal, who calls for provisional and merely apparent sacrifices, and denounces him as a hard- hearted enemy of the people, meanwhile setting himself up as a friend of humanity.

Het punt dat Mises hier maakt is dat in alle handelingen we bepaalde zaken 'opgeven' om anderen te 'verkrijgen'. Dit is ook zo in het bepalen van de sociale regels; als iemand een bepaald beleid voorstelt dat op termijn slechte gevolgen zal hebben en de liberaal wijst erop, wordt hij echter altijd beschouwd als een vriend van de mensheid en dergelijke, omdat hij niet akkoord gaat met de beleidsmaatregel en dit wordt afgeschilderd alsof hij tegen het doel is dat bereikt wenst te worden. Het mag duidelijk zijn dat Mises het TANSTAAFL-principe al kende voor het ooit gepopulariseerd werd door Friedman.
Het 'inzicht' waarover Mises spreekt is het inzicht in de gevolgen van handelingen. We hebben dit doorgaans op handelingen die direct effect op ons hebben, maar de 'demagoog' maakt gebruik van het gebrek aan inzicht op 'macro-vlak'. Bryan Caplan zijn term van 'rational irrationality' kan hier wel aan toe bijdragen, i.e. de gedachte dat het op 'policy-vlak' het rationeel is om 'irrationeel' te zijn. Waarom? Omdat je zelf de kosten niet draagt van domme overtuigingen. Stel bijvoorbeeld dat ik als persoon denk dat protectionisme 'the way to go is'? Wat zal mij dat persoonlijk kosten? Quasi niks, omdat ik zelf helemaal niet zoveel invloed heb op het beleid. Maar als ik op persoonlijk vlak denk ik dat kan vliegen, zijn de potentiele kosten wel heel hoog... Daarom dat mensen ook inzake hun 'irrationaliteit' rationeel zijn: als de kosten laag zijn, ga je meer irrationaliteit hebben. (Ik kan het natuurlijk niet laten, maar laten we niet vergeten dat Bryan Caplan de mosterd voor dit idee ook gaan halen is bij Mises, zoals getuige deze paper.)

Antiliberal policy is a policy of capital consumption. It recommends that the present be more abundantly provided for at the expense of the future. It is in exactly the same case as the patient of whom we have spoken. In both instances a relatively grievous disadvantage in the future stands in opposition to a relatively abundant momentary gratification.

Het interessante hier is dat Mises in 1 adem zegt dat alle niet-liberaal beleid 'capitaal-consumptie' is, i.e. dat het allemaal beleid is gericht op het herverdelen van latere middelen naar 'momentary gratification'. Het lijkt mij dat Mises hier quasi altijd in gelijk heeft, tenzij als het echt beleid is gericht op verplicht sparen, zoals het pensioenplan in Chili - dit heb ik me laten vertellen, dus als ik hier fout zit, laat mij. Nonetheless; dit is natuurlijk ook tegen de preferenties van mensen in.

5. Liberalism and Capitalism

Hier beschrijft hij voornamelijk de relatie tussen het historische kapitalisme en het feit dat dit gigantische welvaartsstijgingen heeft veroorzaakt. 'k vind hier niet direct iets om op te commentariëren.

6. The psychological roots of anti-liberalism

De claim hier is, min of meer, dat socialisten het kapitalistische systeem wel begrijpen, maar het toch willen hervormen om 'de rijken' ook te raken. Het is mij niet volledig duidelijk op basis van wat dit gebaseerd is. Hij beschrijft ook niet echt veel argumenten daarvoor.

Volgende keer beginnen we aan hoofdstuk 1.














zondag 14 november 2010

Voucherliberalisme

Af en toe is het eens nodig om binnen de liberale beweging zelf kritiek te uiten op bepaalde concepten. Eentje daarvan is het concept van een voucherliberalisme. Deze door mij verzonnen term gebruik ik voor die (praktische) benadering van de implicaties van liberalisme. Iedereen die een beetje in de beweging zit, weet vast wel wat ik bedoel. Voor zij die het toch niet weten, toch nog een kleine introductie. Voucher-liberalisme is, heel eenvoudig, de term voor die vorm van liberalisme die als een ware deus-ex-machina het concept van vouchers te voorschijn tovert om een bepaald maatschappelijk probleem op te lossen, waarbij gedacht wordt dat dit de ideale middenweg is tussen enerzijds 'de staat' en 'de absolute vrije markt'. Het meest typische voorbeeld hiervan is, natuurlijk, het concept van schoolvouchers, waarbij gezinnen per kind een vorm van toelage krijgen die ze 'vrij' kunnen spenderen op de markt voor onderwijs. 'k heb echter al gehoord om het concept ook toe te passen op zaken zoals huursubsidies en gezondheidszorg en ongetwijfeld zullen er nog wel 'problemen' zijn waar liberalen dit hebben voorgesteld.

De impliciete vooronderstelling van dit voorstel ligt hem, volgens mij, in de analyse dat het (grote) probleem is dat mensen wel eens te weinig geld zouden hebben om bepaalde diensten te kopen (dus moeten we ze helpen), maar dat ze zelf zouden moeten kunnen kiezen welke dienst ze aanschaffen. (Dus daarom moeten we via 'vouchers' werken, om hen te helpen.)

Het grote probleem is echter dat er niet zoiets als een voornaamste probleem bij overheidsdiensten. De 2 problemen - de bepaling wat het goed is, en de prijs die daarvoor betaald wordt - zijn codependente beslissingen en daar is geen 'voornaamste' probleem. (Vergelijk het met de vraag welke wielen van een fiets ervoor zorgt dat hij rijdt; het voor- of het achterwiel? Er is geen 'belangrijkste' wiel; ze zijn beide afhankelijk van elkaar.)

Laten we nu verder zien wat er concreet mis is. We kunnen twee vormen van vouchers bekijken; de ene waarvan wel vooraf bepaald is voor welke vorm van consumptie de voucher gebruikt zal worden - 'onderwijsvoucher', 'gezondheidszorgvoucher', ... - en de andere waar dit niet is. (Waarom sommigen dit overwegen, zal nog wel duidelijk worden.) We zullen echter niet uitgebreid ingaan op deze tweede vorm; deze is immers analytisch niet anders dan een vorm van basisinkomen. (Het is een som geld die zonder enige vorm van verplichting wordt gegeven, i.e. vrij is om uit te geven door het individu. Het is hier echter geen analyse van het basisinkomen, maar van het concept 'vouchers'.)

Het probleem met de eerste vorm is dat het nog steeds de belangrijke vraag van de definiëring van het product aan de overheid laat. Dit lijkt niet zo belangrijk - 'onderwijs is toch onderwijs?', 'zorg is toch zorg?' - maar is het wel. Een analyse van de markt als een proces waarbij de waarde van productiefactoren geïmputeerd wordt vanuit de consumptiegoederen die daarmee gecreëerd worden leert ons dat de definiëring van een product wel degelijk essentieel is. In dit soort van overheidsinterventies wordt de definiëring van het product verschoven vanuit een entrepreneurial proces van trial and error, binnen de economische calculatie die de markt kenmerkt, naar een politiek proces van definiëring. Het is naïef om te vooronderstellen dat dit soort van interventie niet hetzelfde probleem zal hebben als, bijvoorbeeld, het staatsonderwijs as such om de druk op het politieke bestel te ondergaan. Een goed - en impliciet eigenlijk wel gekend - voorbeeld hiervan is de markt van de gezondheidszorg in de USA. Niet dat dit een zuiver voorbeeld is van een voucher-programma, maar het kenmerkt de dynamiek wel die ik hier identificeer. Zelfs als we abstractie maken van de gigantische federale programma's - medicare en medicaid - en van alle programma's op het niveau van de staten (wist u dat sommige staten universal health care aanboden?) dan heb je nog een redelijke markt van, in naam, private verzekeringen. Het probleem is echter dat deze verzekeringen vaak verplicht zijn (vooral via werkgeversverzekeringen) en dat daardoor er een noodzaak bestaat om een definitie daarvan te geven. Je kan immers niet iets verplichten, zonder een definitie te geven van wat je juist verplicht. ('Je moet verzekerd zijn, maar je mag zelf invullen wat dit betekent.' is simpelweg geen mogelijk fenomeen om aan beleid te doen.) Dus de noodzaak van definitiering ontstaat; en waarom zouden belangengroepen daar niet op springen? 'Het is natuurlijk belangrijk dat x, y en z ook in de definitie opgenomen worden, maar we moeten zeker a, b en c eruit laten!' Het is niet omdat iets in naam privaat is, dat de onzichtbare vuist van de overheid daar geen verstoringen heeft aangebracht, al dan niet via de relevante beïnvloedingen van de groeperingen in de samenleving die dat kunnen betalen.

Terugkoppelend op onderwijs; een voucher in het onderwijs laat nog steeds de definiëring van wat onderwijs is over aan de overheid. Meer zelfs; België had heel lang een voucher-programma (en in bepaalde mate heeft het dat nog steeds). Immers: scholen worden gedefinieerd per leerling. Er is misschien juridisch een groot verschil, maar economisch is er geen verschil of dat een school rechtstreeks per leerling wordt gesubsidieerd of dat een leerling (of de ouders daarvan) een 'voucher' krijgen die ze mogen 'spenderen' aan een school - maar alleen maar scholen die door de overheid geaccrediteerd zijn. Er wordt al eens opgemerkt; 'ja, maar bij een voucher kan je bijbetalen'. Wel tot voor de zogenaamde 'maximumfactuur' - die natuurlijk niets meer is dan een maximumprijs op 'onderwijs', met alle bijkomende problemen van dien - was dit ook het geval in België. In plaats van extra's bij het inschrijvingsgeld (die volgens mij ook wel bestonden), konden scholen diversifiëren op andere vlakken; zoals het aantal reisjes die ze aanbieden, de kosten die ze extra aanrekenen en dergelijke zaken. Dit competitieve proces tussen scholen is wat er - volgens mij - voor heeft gezorgd dat het (middelbaar en lager) onderwijs in België nog lang het niveau heeft gehaald dat het had. We mogen immers niet vergeten dat er in de USA nauwelijks schoolkeuze was op het vlak van publiek onderwijs: er werd u een school toegewezen, waar je naartoe moest gaan. Het moge in zo'n situatie niet verbazen dat er een veel grotere ratio aan thuisscholing is dan hier in België.

Maar het probleem is langzaamaan duidelijk: wat onderwijs is, wordt nog steeds bepaald door het politieke proces en niet door een proces waarbij de waarde van het goed - en de navenante productiefactoren - bepaald wordt door consumentenvoorkeuren. Het mag dan ook geen verwondering zijn dat er nauwelijks innovatie is in de wijze waarop er aan onderwijs wordt gedaan. Moderne evoluties zoals internet, blackboard, powerpoints en dergelijke worden misschien wel geïncorporeerd in het leerproces, maar nog steeds binnen het dominant denkkader dat al decennia lang wordt gebruikt.

Hierbij komen we terecht bij de fundamentele analyse van wat 'vouchers' zijn. Vouchers zijn niets meer en niets minder dan een modern woord voor het voorstel van Oskar Lange, beter bekend als 'markt-socialisme'. Waarom is dit zo? In essentie was het voorstel van Oskar Lange om de kapitaalgoederen genationaliseerd te houden, maar toe te laten dat mensen op het vlak van de consumptiegoederen keuzevrijheid hebben. Daardoor ontstaat er - aldus Lange - een vorm van competitie waardoor we kunnen zien welke producten we meer of minder moeten maken (en de prijs navenant lager of hoger moeten zetten). Hier zijn natuurlijk verschillende problemen mee. Zoals Mises heeft aangetoond, wordt hier simpelweg het probleem van de hoeveelheid en vorm van kapitaal dat gespendeerd moet worden in de verschillende markten weggedefinieerd. Immers; de prijzen van productiefactoren worden gecreëerd in een competitief entrepreneurial proces, gebaseerd op de inschattingen van de waarde van de geproduceerde consumptiegoederen. Echter; als de kapitaalgoederen overheidseigendom blijven dan kan er geen zo'n competitief proces zijn en kan er dus geen rationele allocatie van kapitaal (in hoeveelheid en vorm) zijn. In het voorstel van Lange zitten we met een lock-in van de hoeveelheid kapitaal in een bepaalde sector. Het is waar dat binnen een bepaalde - door de overheid gedefinieerde sector - er een vorm van competitie kan zijn; als de voorraden blijven liggen, dan is er overproductie van dat goed aan het gegeven prijsniveau. (Maar er kan geen maatstaf zijn waar het probleem juist ligt: vermits er geen prijzen zijn van de productiefactoren (per definitie, want er is geen markt) kan er niet geanalyseerd worden of we de prijs van het goed moeten laten dalen enerzijds of simpelweg minder productiefactoren in die sector alloceren anderzijds.)

Als we dit terugkoppelen naar ons voorbeeld van het onderwijs; het is waar dat er competitie is tussen de verschillende (door de overheid gedefinieerde) scholen om de 'consumenten', maar er is geen rationele allocatie van de hoeveelheid en vorm van productiefactoren die zich moeten richten op 'onderwijs'. Gelukkig - en in tegenstelling tot het voorstel van Lange - is er geen totale nationalisatie: als je buiten de 'vouchers' valt, dan heb je geen probleem om je eigen vorm van educatie te verkrijgen en dergelijke. Helaas is er natuurlijk wel het probleem dat de definiëring van kwaliteit - i.e. accreditatie van je diploma - nog steeds gebeurt door de overheid, waardoor je nog steeds afhankelijk bent daarvan. (Natuurlijk kan je proberen puur op je eigen kwaliteiten er te geraken en in de privé sector zal dit misschien nog wel lukken. Maar je bent de facto uitgesloten van een hoop mogelijkheden; zelfstandige, de vele beroepen beschermd door de overheid (waaronder voor de overheid zelf werken) en al die zaken zijn niet mogelijk zonder een vorm van 'toelating' van de overheid.)

Er kan op gewezen worden 'ja, maar; er is toch geen overheidsbezit van de factoren van productie in zake onderwijs?' Dit is, in essentie, een juridisch argument - wat volledig los staat van de economische dynamiek. Door het feit dat de overheid definieert wat onderwijs is - en daar geld voor alloceert om dit te subsidiëren - controleert ze de waarde van die zaken en, effectief, zorgt ze dat de factoren worden aangewend op de manieren die zij wenst. Er is geen belangrijk verschil tussen deze vorm van overheidscontrole of directe controle zelf. (Er zijn misschien een paar public choice argumenten, maar qua verhouding tot het marktproces en de afhankelijk van consumentensoevereniteit of bepaling door het politieke proces is er geen.)

Ik heb me in deze tekst niet echt gefocust op alternatieven. Voldoende volstaat het om te stellen dat onderwijs een goed is en dat, zoals elk goed, er marginale kosten en marginale opbrengsten zijn. In zoverre dat 'onderwijs' een kapitaalgoed is - i.e. de productiviteit van mensen vergroot - zou het raar zijn dat er geen mechanismen gevonden worden om mensen (die dit zelf niet kunnen) te financieren. In zoverre dat 'onderwijs' een consumptiegoed is, is het maar de vraag of dit echt gesubsidieerd zou moeten worden. In zoverre dat onderwijs een sector is met grote positieve externaliteiten, is het maar de vraag of deze vaststelling opweegt tegen de problemen veroorzaakt door de socialisering van onderwijs bij de overheid. Er wordt al eens gezegd: 'een opgeleide samenleving is noodzakelijk voor wenselijk doel x, y en z'. Mogelijk dat dit zo is, maar daaruit volgt niet dat we onderwijs moeten laten bepalen door het politieke proces. Centraal staat immers de verkeerde gedachte dat een samenleving die niet formeel opgeleid wordt identiek is aan een samenleving die niet opgeleid is. Zoals echter aangehaald door - ironie, ironie - de onderwijsvakbonden in de USA zijn er blijkbaar belangrijke studies die aantonen dat de leerkrachten weinig tot geen invloed hebben op de algemene ontwikkeling van kinderen. (Ironisch genoeg wordt dit gebruikt in een discussie om de lonen van leerkrachten afhankelijk te maken van de prestaties van hun leerlingen. Maar als ze dan toch zo weinig invloed hebben; waarom vernietigen we dan het publiek onderwijs niet of, iets minder radicaal, waarom worden er dan überhaupt zo'n hoge lonen betaald?)

Het gaat mij overigens zelfs niet echt over 'publiek' versus 'privaat' onderwijs. Onderwijs mag voor mij gerust 'publiek' zijn, in die zin dat het in een competitief proces wordt aangeboden door groeperingen die niet per se gericht zijn op winst, maar simpelweg onderwijs behandelen als een common pool resource, i.e. een goed waar mensen voordeel uit kunnen halen, zonder per se een bijdrage aan te leveren. (Onderwijs, door de mogelijkheid van positieve externaliteiten, kan analytisch immers beschouwd worden als een goed waar mensen voordeel uit kunnen halen, zonder bijdragen te leveren. Maar we weten al lang - en nu zeker sinds de nobelprijs voor Ostrom - dat daaruit verre van logisch volgt dat de overheid dit dan moet regelen.) De vraag is: wie bepaalt wat onderwijs is, welke vorm het heeft en in welke kwantiteit het wordt aangeboden? We moeten concluderen dat het marktsocialistische voorstel van een voucher verre van volstaat om een performant onderwijssysteem te creëren.

Hopelijk kunnen we dan nu eindelijk dit achterhaalde voorstel naar de geschiedenisboeken verwijzen. Het is gedaan in een land dat op dat moment volledig gesocialiseerd onderwijs had - en ik heb nog liever Lange zijn theorie dan Stalin zijn uitvoering - maar kan geen duurzaam alternatief zijn voor de problemen in, bijvoorbeeld, België of op enige andere plek in de wereld. Onderwijs is te belangrijk om het spel te worden van het politieke proces van besluitvorming.

woensdag 20 oktober 2010

De vooronderstelling van anarchie

Tekst geschreven voor het boekje van LVSV Brussel.

Zoals sommigen onder de lezers misschien weten, is er binnen de grote groep van het liberalisme een welbepaalde stroming die ook al eens ‘anarcho-kapitalisme’ wordt genoemd. Kort gezegd zegt deze tak van het liberalisme dat de staat (1) zowel moreel niet te rechtvaardigen valt en (2) dat deze instelling niet nodig is voor een functionerende samenleving, die welvaart, gemeenschap, recht en solidariteit kan bereiken. Auteurs zoals Murray Rothbard in ‘For a New Liberty’, David Friedman in ‘The Machinery of Freedom’, Bruce Benson in ‘The Enterprise of the Law’ en Edward Stringham in het geëdit boek ‘Anarchy and the Law’ hebben daar uitgebreid over geschreven en ik kan de lezer, indien geïnteresseerd, deze boeken alleen maar aanraden. Het doel van deze tekst is echter om de nieuwsgierigheid daarvoor op te wekken door middel van wat ik noem ‘een meta-argument’. Een meta-argument, zoals ik het hier behandel, is een argument dat niet direct tracht te bewijzen dat iets mogelijk is (of niet), maar waarmee getracht wordt om mensen uit te dagen om de argumenten voor een bepaald iets nader te bekijken. In dit geval zal ik trachten aan te tonen dat de anarchistische uitdaging om historische en logische redenen een uitdaging is die liberalen zouden moeten aangaan.

Een eerste meta-argument is, natuurlijk, dat de staat een historische oorsprong heeft. De vraag die we ons daarbij dan moeten stellen: was dit een wenselijke en goede historische evolutie of niet? We weten, natuurlijk, dat niet alles dat doorheen de geschiedenis gebeurt wenselijk was en is. Voorbeelden zoals de beide wereldoorlogen zijn daarbij heel evident. Liberalen – die geen anarchisten zijn – behoren dan, naar mijn overtuiging, te beargumenteren dat het installeren van het concept ‘de staat’ – na de feodaliteit – een goede zet was. De vraag is echter: waarom zou dit zijn? Als je kijkt naar de rechtsgeschiedenis van het Westen – zoals o.a. besproken door Harold Berman in zijn boek ‘Law and Revolution’ (die overigens de Harvard boek van het jaar heeft gekregen) – dan zie je dat wat er voor heeft gezorgd dat het Westen, relatief ten opzichte van andere werelddelen, veel meer vrijheid en economische voorspoed had juist door de quasi-volledige afwezigheid van een dominant monopolie op ‘de wet’. West-Europa was in belangrijke mate een competitieve polycentrische juridische orde waar verschillende regelsystemen naast elkaar overleefden.

Een tweede uitdaging is het feit dat een hoop zogenaamde ‘marktfalen’ evenzeer voor de overheid gelden – met dat extra probleem dat de overheid het coercive monopolie op geweld is. Het probleem van asymmetrische informatie geldt evenzeer voor de relatie tussen kiezer en verkozene – zelfs meer; want je kan maar om de 4 jaar kiezen en het is altijd een ‘package deal’. Het probleem van ‘monopolies’ is eens te meer geldig voor de overheid, die een monopolie claimt op het beslissen van hoe mensen met elkaar mogen en moeten omgaan en wat ze wel en niet mogen met hun eigen middelen. Het probleem van externaliteiten is eens te meer geldig voor overheidsbeleid dat altijd onbedoelde (en eenvoudig te missen) gevolgen heeft voor onschuldige derde partijen. De zogenaamde ‘onderhandelingsmacht’ van werkgevers is eens zo hard aanwezig bij de overheid, die mensen kan dwingen met het geweldsapparaat om haar beslissingen te aanvaarden, ook al gaat dit tegen de inschattingen of morele overtuigingen van mensen in. In het licht van al deze problemen – die elke sociale organisatie heeft, maar de overheid is een enorm grote organisatie die het monopolie op geweld claimt én tegenwoordig claimt dat ze uitvoerig de samenleving mag beheren – is het maar de vraag of we een (beperkte) rol voor de overheid kunnen hebben.

Een derde uitdaging is het feit dat een grote hoeveelheid van de zogenaamde ‘publieke goederen’ die de overheid zou moeten verzorgen – juridische functies, veiligheid, onderwijs, wegen, solidariteit, etc. – allemaal, zoals uitgebreid gedocumenteerd door een grote schare van onderzoekers, met een goede samenvatting in ‘the voluntary cite’ van David T. Beito, ‘privaat’ geregeld worden. Combineer dit met het werk van de nobelprijswinares Elinor Ostrom (in ‘Understanding Institutional Diversity’ en ‘Governing the Commons’), die heeft aangetoond dat commons – gemeenschappelijke voorraden - zichzelf kunnen reguleren. Het is niet omdat volgens bepaalde theoretische modellen ‘problemen’ zoals hoge transactiekosten, incentive issues en dergelijke niet opgelost kunnen worden, dat het daarom zo is dat dit in de werkelijke wereld niet kan. De idee is dat uit het feit dat er governance behoort te zijn van bepaalde zaken, je niet noodzakelijk een government nodig hebt. Het is misschien waar dat bepaalde zaken moeten overzien worden, maar daaruit volgt niet dat je 1 institutie nodig hebt met het monopolie op geweld om aan beleid te doen en alles te overzien wat overzien zou moeten worden. Indien het mogelijk zou zijn om dit monopolie te ‘beperken’ tot wat ‘de liberalen’ graag zouden hebben, waarom zou het dan niet mogelijk zijn om een anarchistische samenleving ook stabiel te kunnen houden? Als mensen creatieve wezens zijn die oplossingen voor hun problemen vinden en manieren vinden om meer welvaart te creëren waarom zou dit dan ook niet mogelijk zijn op de institutionele omgeving van de samenleving?

Een vierde punt komt voort uit de idee van constitutionele politieke economie. De idee van deze tak is om manieren te vinden om te zorgen dat de overheid tegelijkertijd de middelen krijgt om haar taken uit te voeren, zonder dat ze deze middelen gebruikt om haar bevoegdheden uit te breiden. We willen dus een sterke staat die zich echter maar beperkt tot de zaken waar ze – zogenaamd – een comparatief voordeel in heeft, zoals bijvoorbeeld het aanbieden van veiligheid en justitie. Vaak worden mechanismen zoals federalisme, een grondwet die de bevoegdheden limiteert, democratie, exit-opties en dergelijke genoemd om de overheid te beperken. Maar al deze zaken zijn mechanismen intern aan de overheid zelf; waardoor er uiteindelijk overheidsmechanismen zijn die over de interpretatie en toepassing daarvan beslissen. Het idee van het anarchisme is dat competitieve ondernemingen deze diensten aanbieden; waardoor je externe controle hebt op de bevoegdheden en kracht van de taken die deze ‘overheden’ uitvoeren. Indien we het concept van een ‘beperkte’ overheid serieus nemen, moeten we misschien eens kijken naar een werkelijk concept van competitieve overheden – in plaats van te verwachten dat een legitieme monopolist zichzelf gaat beperken.

Tot slot komen we dus terug bij ons eerste punt. Het is dat nogal wiedes dat we anarchie – als we aan politieke analyse doen – moeten vooronderstellen. Vermits de staat een historisch contingent fenomeen is, was er daarvoor een situatie waarin er – weliswaar dwang en onderdrukking was – maar er was geen staat as such. De vraag is: was, alles bij elkaar, de wenselijke stap om uit die dominante situatie te stappen naar een ‘statelijke’ omgeving, of was die stap eerder te begrijpen uit – eens te meer – een elite groepje dat de macht greep om de samenleving te beheren?

Als conclusie zou ik dus het volgende zeggen. Sommige liberalen hebben heel mooie theorieën over hoe ze de staat beperkt gaan houden, maar het mag duidelijk zijn dat zonder een theorie om de overheid ook efficiënt in het uitvoeren en beperkt in het organiseren van haar taken houdt; deze mooie verhalen niet meer zijn dan utopieën. In de wereld waarin we leven is de fundamentele kwestie: ofwel steun je een staat met alle mogelijke interne dynamieken tot gevolg ofwel ondersteun je een anarchistische situatie met alle mogelijke dynamieken daar. ‘k heb hier niet alle argumenten uit de doeken gedaan over waarom een anarchistische situatie een wenselijke omgeving kan creëren; het staat de lezer vrij de literatuur daarover te raadplegen en/of zelf eens het gedachte-experiment te doen waarom iemand in een staatsloze wereld zou kunnen geloven. Aan de lezer de keuze.

vrijdag 15 oktober 2010

Vulgair Liberalisme

In de USA is er al een tijdje wat debat - niet al te luid, maar altijd onderhuids aanwezig - tussen 'vulgair' liberalisme ('vulgar libertarianism') en andere vormen. Er zit iets in deze discussie, dat ik even wou opmerken. Gisteren omschreef ik het nog tegen een vriendin als volgt: er is niets mis met het basisidee van het liberalisme, maar er is wel iets mis met hoe sommigen het liberalisme verdedigen. Er zijn enkele argumenten die mij ten zeerste irriteren en/of die simpelweg verkeerd zijn, alhoewel dat ze regelmatig aangehaald worden door sommige liberalen.

Het eerste argument is dat 'privatiseren (automatisch) leiden tot verbeteringen/goedkopere prijzen'. Dit is natuurlijk een verkeerd - of toch op zijn minst inaccuraat - argument. Ten eerste: een privatisering is nog steeds een handeling door de overheid. Het hoeft geen genie te zijn om te begrijpen dat de overheid ook op een 'vereerde' manier kan privatiseren, i.e. laten volgen door uitgebreide reguleringen (zoals privileges) en dergelijke; waardoor er helemaal niet zo'n wenselijke effecten hoeven te zijn. Natuurlijk kan je zeggen 'ja, maar het moet een 'goede privatisering' zijn', maar dat is gewoon de vraag verschuiven. Ten tweede: een privatisering gebeurt vaak als een overheidsmonopolie compleet de grond in is gelopen; waardoor er zelden (direct) verbeteringen zijn na de privatisering (zie ook punt 1). Een correctere methode is pleiten dat een privatisering - hoe marginaal ook - toch een beetje zal leiden tot kostencontrole en een prijssetting die (min of meer) overeenkomt met kosten en marginale afwegingen. Dat zal niet automatisch 'lagere prijzen en een betere kwaliteit' veroorzaken; maar het zal toch iets meer ruimte daarover toe laten.

Een tweede is de complete afwijzing van de idee van het organiseren van bepaalde middelen - zoals grondstoffen - via het principe van commons. Het is terecht dat er afgewezen mag worden dat 'de overheid' het overneemt; maar het is illegitiem om te zeggen dat een privaat bedrijf dat sowieso beter/wenselijker zou kunnen organiseren. Sinds Ostrom haar nobelprijs kunnen we simpelweg niet meer argumenteren dat er een dichotomie is tussen 'privaat bedrijf' en 'overheid'; maar de weg via self-governing commons is er ook een. (Natuurlijk valt dit wel onder de dichotomie 'vrijwillig' versus 'coercief'.)

Een derde irritatie is het overmatig belang dat aan 'belastingen' wordt gehecht. Eerlijk en oprecht: belastingen zijn niet de belangrijkste factor van overheidscontrole, overheidsbeslag en economische vrijheid. Natuurlijk zijn belastingen het meest zichtbaar; maar belastingen zijn een herverdeling van algemene middelen; de staat moet echter nog steeds de middelen hanteren in een competitieve markt. Een veel groter probleem zijn reguleringen vermits dit extra kosten met zich meebrengt. Belastingen zijn een eerdere ex post afroming van inkomen, terwijl reguleringen een rem zijn om een inkomen tout court te creëren. Kosten zijn dus een werkelijke rem op competitie - terwijl belastingen eerder een rem zijn op kapitaalsaccumulatie as such. Verder krijg je belastingen nog min of meer terug - ook al zullen we als samenleving in het algemeen armer zijn. Reguleringen zorgen echter voor een directere beperking op de mogelijkheden die we hebben, waardoor velen simpelweg niet kunnen beginnen met welvaart te vergaren. Een betere methode voor liberalen is derhalve het wegwerken van reguleringen - in de brede zin van het woord: privileges, franchise, afschermen van competitie, veiligheidsreguleringen, etc. - en niet zozeer het wegwerken van belastingen. Want als je reguleringen wegwerkt, kunnen meer mensen zelf een inkomen beginnen te vergaren en daar belastingen op betalen - maar er zijn dan wrslk minder belastingen nodig en opent er zo een mogelijkheid om meer vrijheid te hebben. Het is dan ook verre van raar dat Griekenland niet alleen sterk bespaarde, maar ook enorm de-reguleerde.

'k ga het hier bij houden. Maar 'k hoop dat het punt wat duidelijk is.

dinsdag 7 september 2010

Geschiedenis van het liberalisme: een opmerking

In de vorige fenomenale bijdrage van Xavier is er een klein iets dat ik graag zou willen opmerken. Het is niet zozeer dat het fout is, maar wel een klein iets dat ik graag zou willen aanmerken.

Xavier maakt het verschil tussen Mises zijn regel-utilitarisme en Hayek zijn traditionalisme; maar dit lijkt me niet geheel gerechtvaardigd. Xavier bespreekt, correct, dat Hayek een voorstander was van een evolueerde rechtsorde (zoals de common law). Wat mij echter ontbreekt is de normatieve interpretatie, of benaming, die hier uit zal volgen; zoals 'sociaal contract'; 'natuurrecht' of 'regel-utilitarisme'. Xavier geeft hier geen benaming van. De reden waarom hij dat niet as such heeft gedaan, is omdat dit immers niet fundamenteel de visie is van Hayek als normatieve filosoof. Zijn oordeel dat deze geëvolueerde rechtsorde beter is, komt door zijn regel-utilitarisme; in navolging van Mises. In plaats van Hayek derhalve dus een 'apart' onderdeel toe te voegen; zou ik simpelweg gezegd hebben dat Mises en Hayek allebei een afzonderlijke benadering waren van het regel-utilitarisme; waar Mises meer voor een a prioristische benadering kiest, en Hayek ruimte laat voor de gegroeide orde as such. Maar hij is voorstander van deze orde om regel-utilitarische redenen - lijkt mij.

Deze opmerking is niet echt groot of heel significant; maar het moest wel even vermeld worden, naar mijn overtuiging.


maandag 6 september 2010

Gastblog: Van turquoise tot indigo: de verschillende facetten van het liberalisme in kort bestek

Mijn goede vriend en collega Xavier Meulders heeft alweer een intellectuele voltreffer bij elkaar geschreven. In deze tekst geeft hij eerst een algemene filosofische inleiding in het concept ideologie, en meer specifiek in bepaalde facetten van het liberalisme. Daarna geeft hij meer informatie bij verschillende facetten van het liberalisme. Ik kan deze tekst alleen maar hartelijk aan bevelen - meer zelfs; 'k denk dat hij zelfs grondige studie vereist. Eventuele op- of aanmerkingen die ik zelf heb, zal ik (misschien) op latere datum formuleren.

Van turquoise tot indigo: de verschillende facetten van het liberalisme in kort bestek

I. HET LIBERALISME ALS IDEOLOGIE EN FILOSOFIE

Als algemeen metafysisch principe geldt dat de werkelijkheid bestaat als een ontologisch domein dat onafhankelijk van het menselijke subject bestaat. Kennis, volgens deze aloude klassieke metafysische opvatting, bestaat er dan in dat het menselijk subject een juist oordeel weet te vellen over welbepaalde, onafhankelijk van hem bestaande, standen van zaken in die werkelijkheid, i.e., dat zijn oordeel in overeenstemming is met die welbepaalde stand van zaken. Het klassieke probleem met wat in de geschiedenis der wijsbegeerte geboekstaafd staat als de correspondentietheorie van de waarheid, is echter dat het menselijke subject deze werkelijkheid ook in welbepaalde predikaten moet kunnen uitdrukken; predikaten waarvoor de menselijke taal – die als intersubjectief artefact doorheen de geschiedenis is ontstaan – vaak tekortkomt. Vandaar dan ook dat de brug tussen het menselijk oordelend subject en de werkelijkheid op zich slechts partieel kan worden gelegd, en nooit volledig kan zijn. Die volledigheid, die zo kenmerkend is aan ieder wetenschappelijk discours dat kennis wenst te verwerven, kan slechts zo adequaat mogelijk in kaart worden gebracht door het hanteren van heldere en ondubbelzinnige definities. De vraag naar wat iets is dient op een zo objectief en verhelderend mogelijke manier te worden beantwoord. Indien gevraagd wordt ‘wat is dat?’ – terwijl gewezen wordt naar een doorzichtig object in de muur – en de respondent antwoordt: ‘een venster’, dan gaan we ervan uit dat beide deelnemers aan de dialoog weten wat de talige uitdrukking ‘venster’ en haar referent be-tekenen[1].

Van vensters, stoelen, bomen en zeeën kunnen we echter objectieve en welomlijnde definities hanteren. En ook van niet-materiële ‘objecten’ - zoals ‘het getal π’ , ‘de cirkel’ of ‘de cosinus’ – kunnen apodictische (doch ideële) concepten worden gevormd. Maar wat met sociale fenomenen? Denken we hierbij dan maar aan ‘de maatschappij’, ‘waarde’, ‘geld’, enz. Kunnen hiervan ook dezelfde soort objectieve definities worden gegeven? Of zijn het louter temporele en contingente constructies die binnen een welbepaald historisch en cultureel tijdruimtelijk kader zijn ontstaan, en ook op eenzelfde manier zullen vergaan?

Deze bijdrage is allerminst bedoeld om de lezer te vervelen met een regionale ontologie van sociale fenomenen, en de mogelijkheid deze te beschrijven (wat wel degelijk kan, maar dit is een methodologische discussie waarvoor deze bijdrage allerminst geschikt is). Maar wat dan met ideologieën, i.e. bepaalde wijzen, methodes of ingesteldheden waarmee naar die werkelijkheid wordt gekeken? Kunnen zij objectief voorgesteld of gedefinieerd worden? Het antwoord is neen!

Ideologieën zijn immers niet zozeer objecten – of: ‘standen van zaken’ – die met een wetenschappelijke blik kunnen worden geanalyseerd. Zij fungeren immers net zélf als een set van categorieën waarmee naar de werkelijkheid wordt gekeken. Dit ‘kijken’ is trouwens niet meer langer een objectief schouwen der dingen – een zuiver theoretische contemplatie – maar zelf ook normatief van aard (vs. descriptieve (sociale) wetenschap). Wie bijvoorbeeld spreekt over ‘een sociaal-democratische kijk op sociale ongelijkheid’ of ‘een falangistische visie op de nationale eenheid van Spanje’ weet dat beide fenomenen – sociale ongelijkheid resp. de Spaanse natie – niet met een rationele, koele blik zullen worden benaderd. Vanuit deze ideologieën zullen immers ook welbepaalde normatieve ideeën – “beleidsvoorstellen” – ontspruiten die deze sociale fenomenen kunnen veranderen.

Ook het liberalisme is zo’n ideologie dat de werkelijkheid met een subjectieve blik probeert te vatten en te veranderen. Maar ‘hét liberalisme’ is natuurlijk een zeer grote vlag die meerdere ladingen kan dekken. Om te beginnen vertrekt het liberalisme – even aangenomen dat hiervan een welbepaalde definitie kan worden gegeven – uit van het principe van het methodologisch individualisme, en kunnen derhalve alleen individuele personen een welbepaald fenomeen conform hun eigen conceptuele kaders percipiëren. Reeds in de premisse van het methodologisch individualisme ligt besloten dat liberale ideologie gewoonweg niet kan bestaan: dit zou immers een breuk zijn met dit principe van methodologisch individualisme dat – voor alle duidelijkheid – geen ideologisch maar een louter metafysisch (feitelijk) principe vormt. Dit betekent echter allerminst dat ik hier een pleidooi voor een definitorisch skepticisme wil houden. Kunnen we bijvoorbeeld niets zeggen over een kunststroming zoals, pakweg, het impressionisme? Dat zou een nogal boude uitspraak zijn! Natuurlijk kunnen we dit. Maar we weten ook best wel dat een definitie geven van dit begrip iets anders inhoudt dan het louter beschrijven van een fysisch object of de waarheidswaarde van een logische propositie: de analyst dient er rekening mee te houden dat deze kunstbeweging wordt geschraagd door bepaalde individuen, die elk vanuit een eigen leefwereld opereren en op die manier invulling geven aan hun eigen artistieke expressie. Vanzelfsprekend komen de categorieën die deze leefwereld opvullen niet zomaar uit het niets opduiken, en zijn zij intersubjectief geconstitueerd. Wie de individuele werken van Cézanne, Monet en Manet analyseert, zal dus al snel merken dat er “een” welbepaald (overkoepelend) paradigma is waarbinnen al deze kunstenaars opereren, en dat het dus mogelijk wordt om van deze schilders een figuratief (epistemologisch) “familieportret” te maken, dat kan illustreren wat “het impressionisme” als kunststroming zoal inhoudt[2]

Dit geldt dus evenzeer voor het liberalisme. Het is een ideologie – ook deze stelling zullen we zo dadelijk nuanceren – waarvan slechts middels het schetsen van “familiegelijkenissen” kan worden gesteld wat nu de overeenkomsten zijn tussen de ideeën van pakweg neefje John Stuart en oom Murray. Die zijn er zeker.

Laat ons dus de schier onmogelijke taak een totaalbeeld van wat dat liberalisme nu zoal inhoudt aanvatten. We botsen dan al quasi onmiddellijk op het probleem waarmee iedere ideologie kampt: namelijk dat het zichzelf zal moeten legitimeren. Een welbepaalde ideologie – als raamwerk van concepten om de sociale wereld prescriptief in te richten – kan dit dan op twee manieren doen, namelijk de politieke en de filosofische. Hiermee duiden we inderdaad op een dichotomie die teruggaat op de antieke socratische wijsbegeerte, namelijk de tweespalt tussen doxa (het domein van de loutere mening) en epistemè (letterlijk: het domein van de kennis, i.e. van de bereflecteerde waarheid). Met de politieke legitimering van een ideologie doelen we inderdaad op de legitimering van deze of gene (ideologische) stelling door middel van het politieke bedrijf in de dagdagelijkse betekenis. In dit stadium geschiedt deze legitimering op een veelal naïeve, weinig bereflecteerde wijze. Via de politieke legitimeringsmethode wordt de Blijde Boodschap handig verpakt, en met sluwe oratorische truuks verkocht door deze of gene charlatan die meent het grote gelijk aan zijn of haar kant te hebben. Voor menigeen klinkt het allicht vertrouwelijk: een bepaald welbespraakt politicus verschijnt in beeld, en vertelt dat “zijn partij” gelijk heeft, “omdat” deze nu eenmaal in de meerderheid zit. Of “omdat” hij deze of gene mening is aangedaan. Of “omdat” hij nu eenmaal spreekt in de naam van “het algemeen belang”. Het spel van woord tegen wederwoord en moddercatch tegen pek en veren is inderdaad de manier waarop de politiek, in haar vuige betekenis, jammer maar helaas te werk gaat. En vanzelfsprekend heeft het liberalisme, tot op de dag van vandaag, geprobeerd zich op dit niveau te legitimeren door middel van politieke actie (het oprichten van politieke partijen, politieke machtsdeelname, mediacampagnes, de oprichting van liberale vakbonden en mutualiteiten, enz.)

Wegens het groot aandeel aan “gesofistikeerde sofistiek” betreffende het politiek liberalisme, zal het vervolg van dit essay gewijd zijn aan de filosofische legitimering van het liberalisme. We moeten de lezer er dan ook echter ook wel op voorhand voor waarschuwen dat de legitimering van het liberalisme via 'de politiek' niet mag worden geconflateerd met haar legitimering via 'het politieke', wat een totaal andere zaak is zoals we nog zullen zien. Bovendien kan zo’n politieke legitimering slechts geschieden indien zij – ook al is het maar via vage ‘afschaduwingen’ – toch nog ietwat reminiscent is aan de filosofische wortels waarop zij is gebaseerd.

Hoe kan het liberalisme zich nu echter filosofisch legitimeren? Hiervoor is het noodzakelijk om nog even terug te koppelen naar het ideologische vraagstuk. In ons ordinaire taalgebruik worden begrippen als 'ideologie', 'religie', 'godsdienst' en 'filosofie' vaak als onderling inwisselbaar gehanteerd (bv. een bedrijf dat zegt een “klantvriendelijke filosofie” te propageren; of een school die beweert in een les godsdienst ook andere “geloofsovertuigingen en filosofieën” aan bod te laten komen, enz.) . Dit is echter een zeer grove vergissing, en doet het woord 'filosofie' allerminst recht: filosofie is in eerste instantie een kritische activiteit, dat net een welbepaalde overtuiging kritisch gaat ondervragen, en al naargelang de uitkomst van dit onbevooroordeelde onderzoek, deze overtuiging kan staven of verwerpen. Een typevoorbeeld is natuurlijk de middeleeuwse scholastiek, waarin een set van waarden die voor waar werden aangenomen (de Openbaring zoals vervat in het Oude en Nieuwe Testament) voor een kritisch voetlicht werd geplaatst aan de hand van antieke metafysische concepten, en op die manier werden gestaafd (bv. de Godsbewijzen van Thomas van Aquino, die louter berusten op metafysische premissen en logische gevolgtrekkingen hieruit). Een taak die natuurlijk niet gefinaliseerd was, toen in de Moderne Tijd ook die metafysische concepten zélf op hun beurt kritisch werden ondervraagd.

De filosofische methode van hypothese, vraag, antwoord, conceptuele verheldering, discussie, debat,... staat dus net volledig haaks op de begrippen godsdienst, overtuiging of... ideologie! Hebben we dus niet te doen met een oxymoron wanneer iemand beweert een “liberale filosofie” te willen verdedigen? Toch niet! Het is immers perfect mogelijk om bepaalde ideeën en vooronderstellingen tegen het licht van filosofische concepten te houden, om op die manier op een verantwoorde en bereflecteerde manier om te gaan met deze vooronderstellingen. Wanneer de reflectie, en mogelijk zelfs de herziening van bepaalde ideeën die voor waar werden aangenomen, intreedt; kan gesproken worden over een filosofische legitimatie. Sommige auteurs – voornamelijk binnen het hedendaagse natuurrecht – hebben zelfs getracht uitsluitend door middel van filosofische concepten bepaalde ideeën van het liberalisme te vertolken, zonder beroep te moeten doen op bepaalde vooronderstellingen die vooreerst dienen 'bewezen' te worden. Op die manier hebben zij het niveau van het liberalisme, als ideologie, geprobeerd te overstijgen.

Het liberalisme als filosofische reflectie tracht natuurlijk ook normatief op te treden, door bepaalde filosofische concepten die de (sociale) werkelijkheid structureren verder uit te diepen. Immers, filosofie probeert steeds een totaalbeeld van de werkelijkheid te vatten, door zichzelf in verschillende subdisciplines op te delen (in de normatieve of praktische filosofie: de politieke filosofie, de rechtsfilosofie, de ethiek, de filosofie van de economie,...). Op die manier hebben diverse liberale filosofische auteurs getracht het liberalisme te verdedigen door dit toe te passen op een welbepaald deelaspect van die sociale werkelijkheid, die we ruwweg in drie domeinen kunnen opsplitsen:

a) de sociaal-economische werkelijkheid: het intersubjectief (“catallactisch”) proces van de verdeling van schaarse middelen tussen diverse actoren op een 'markt'. Deze werkelijkheid wordt (waardevrij) in kaart gebracht door de economische wetenschap, maar heeft volgens sommige liberale auteurs eveneens normatieve implicaties.

b) de politieke werkelijkheid (bedoeld wordt: “het politieke”, in ruime zin) : het intersubjectief domein waarin getracht wordt te omlijnen wat het rechtvaardige precies inhoudt. Met andere woorden: aan welke absolute en apodictische criteria moet een bepaalde intersubjectieve handeling voldoen vooraleer zij ook als ‘juist’ kan worden bestempeld? Zoals we zullen zien, heeft de politiek-filosofische legitimatie (te onderscheiden van de eerder genoemde ‘ruwe’ politieke legitimatie) van het liberalisme een veel smallere basis dan de ethische, maar is zij daarom ook veel strenger in haar oordelen.

c) de ethische werkelijkheid: het subjectief en intersubjectief domein waarin het goede, in de brede zin, precies inhoudt. In de liberale traditie heeft het ethische een veel bredere rijkwijdte dan het politieke, omdat het de grenzen van het rechtvaardige – dat louter een grondbasis voor intersubjectief handelen wil aanbieden – ver poogt te overschrijven, door het liberalisme te stoelen in bredere interpersoonlijke processen die ons handelen moreel goed of fout maken (brede vs. smalle ethiek)


Met deze driedeling in gedachten, kunnen we dan ook als volgt een schematische voorstelling geven van diverse voorname liberale stromingen:

Wie goed oplet, zal inderdaad al snel merken dat dit schema abstractie maakt van het belangrijke onderscheid dat vaak wordt gemaakt tussen zogenaamd klassiek-liberalisme en progressief-liberalisme; een distinctie die sinds de 19de eeuw gemeengoed is geworden in het liberale gedachtegoed. Dit onderscheid is inderdaad zeer belangrijk, maar zowel via een sociaal-economische, een politieke als een ethische benadering vinden we vertegenwoordigers van dit zogenaamde progressief-liberalisme, zoals we nog zullen zien. De distinctie tussen klassiek-liberalisme en progressief-liberalisme is overigens ook de reden waarom ik ervoor heb geopteerd om denkers als John Locke en Immanuel Kant bij het natuurrechtsdenken te plaatsen, en – binnen het domein van het politieke – een aparte sectie 'sociaal contractsdenken' voor te behouden aan John Rawls. Dit kan op het eerste zicht nogal arbitrair lijken, of strijkt misschien in tegen enkele algemene beginselen uit de geschiedenis der politieke wijsbegeerte. Immers, in de meeste cursussen politieke filosofie worden John Locke en Immanuel Kant (samen met de nogal dubieuze Thomas Hobbes) als typevoorbeelden van het sociaal contractsdenken naar voren geschoven. De klassieke definitie van het sociaal contract luidt dan ook dat dit een pact is tussen vorige, huidige en komende generaties om een staat – een geweldsmonopolie – te stichten die welbepaalde natuurlijke rechten, die aan eenieder toekomen, moet waarborgen. Maar zowel voor Locke en Kant alsook voor antieke en hedendaagse verdedigers van het natuurrecht, zijn dit (voornamelijk) zogenaamde negatieve rechten die moeten worden gevrijwaard, i.e. recht van dwang, diefstal en geweld ('van' = gevrijwaard van) . Progressieve liberalen, zoals Rawls, verdedigen echter ook zogenaamde positieve rechten, zijnde rechten op bepaalde (schaarse) goederen die, eveneens, door de staat moeten worden gewaarborgd. Het sociaal contract in de Rawlsiaanse betekenis is dan ook veel verregaander dan de Lockeaanse of Kantiaanse variant, daar in dit model ook welbepaalde sociaal-economische rechten moeten worden gegarandeerd. Vandaar dus dat mijn onderscheid tussen 'natuurrecht' en 'sociaal contract' niet zozeer is gebaseerd op het onderscheid tussen anarchisten en minarchisten (verdedigers van een minimale nachtwakersstaat); maar wel op het onderscheid tussen klassiek-liberalisme en progressief-liberalisme, en het soort rechten dat uit beide benaderingen voortvloeit.

Bovendien zal het de alerte lezer niet zijn ontgaan dat dit schema eveneens abstractie maakt van de ‘historiciteit van het liberalisme’. Het liberalisme wordt inderdaad vaak voorgesteld als een ideologie die ontstaan is op een bepaalde tijd en plaats, waarmee dan het tijdvak van de Verlichting wordt bedoeld. Ten tijde van die (18de eeuwse) Verlichting zou er dan, volgens de standaardweergave, zowel een continentale (voornamelijk Franse) tak van het liberalisme kunnen worden opgetekend; alsook een Anglosaksische die, zoals de naam het al zegt, vooral van grote invloed was in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika. De continentale tak van die Verlichting zou dan vooral een product van een optimistisch rationalisme zijn geweest, en vertolkt door denkers als de Markies de Condorcet en Jacques Turgot , aldus resulterend in de Franse Revolutie van 1789[3]. De Anglosaksische traditie van het liberalisme vindt dan weer zijn oorsprong in het moderne empirisme van John Locke en David Hume, en van invloed zijn geweest op de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. Deze dichotomie tussen Engeland en Frankrijk, tussen empirisme en rationalisme, tussen voorzichtige trial and error en de idee van de maakbaarheid van de samenleving; is er een die inderdaad zeer recurrent is. Maar vooreerst gaat zij er inderdaad vanuit dat het liberalisme een product is van de Verlichting. Indien we het woord liberalisme echter etymologisch ontleden, dan merken we dat deze teruggaat op het Romeinse idee van de liberi ; zij die vrij geboren zijn; een idee die van groot belang is in het Oud-Romeinse juridische onderscheid tussen het ius gentium en het ius civile. Niet alleen wegens louter etymologische redenen, ook wegens meer inhoudelijke redenen is het gewoonweg arbitrair en artificieel om de opkomst van het liberalisme te laten samenvallen met de (contingente) opgang van de burgerij in de Moderne Tijd in West-Europa. Verschillende ideeën die we vandaag de dag met het liberalisme zouden identificeren, werden in de Oudheid en zelfs in de middeleeuwen evenzeer geformuleerd. Vandaar dat we in ons overzicht de contingentie van de historiciteit eveneens achterwege laten.

Met deze toelichting kunnen we dan ook onze voorliggende classificatie wat meer gedetailleerd bestuderen en uitwerken.

II. HET LIBERALISME VANUIT SOCIAAL-ECONOMISCH STANDPUNT

De economische wetenschap bestudeert het geheel van menselijke handelingen in een wereld gekenmerkt door materiële schaarste, en hoe de mens deze schaarse middelen alloceert, of beter gezegd kan alloceren, en wat hiervoor de mogelijke uitkomsten zullen zijn. Als wetenschap is de economie zuiver waardevrij: de economist kan perfect beschrijven wat de gevolgen zijn van, pakweg, de toename van de geldhoeveelheid in een economie; zonder hierover per defintie ook een oordeel te vellen. Net zoals een kernfysicus perfect de (natuurkundige) instructies kan geven over hoe een atoombom te maken, zonder zich daarmee uit de spreken over de wenselijkheid van het gebruik van kernwapens.

Niettemin is de economische wetenschap nu net het typevoorbeeld van een discipline die vaak over de lijntjes van het zuiver descriptieve kleurt. De menselijke conditie wordt immers tot in den treure gekenmerkt door de confrontatie met materiële schaarste. Hoe kunnen we die schaarste dan overwinnen? Dit is echter reeds een normatieve en zelfs ethische stellingname: menen dat de schaarste overwonnen moet worden, is iets anders dan stellen dat deze schaarste overwonnen zou kunnen worden. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het utilitarisme het ethische paradigma bij uitstek was dat het nauwst wist aan te sluiten bij die economische wetenschappen.

Op het eerste zicht heeft dat utilitarisme maar weinig met het liberalisme van doen. Haar geestelijke vader, Jeremy Bentham (1748 – 1832), kan immers tevens de architect van de huidige sociale welvaartsstaat worden genoemd. Dit heeft vooral te maken met het kwantitatieve karakter waarmee Bentham zijn utilitarisme illustreerde. Volgens Bentham zijn er immers niet minder dan zeven criteria waaraan een handeling moet voldoen opdat het ‘utiliteit’ of ‘nut’ met zich zou kunnen meebrengen. Deze variabelen zijn tevens kwantificeerbaar, en transponeerbaar naar het niveau van de maatschappij in het algemeen. Zodoende wordt Benthams utilitarisme ook wel eens act- of daad-utilitarisme genoemd, in die zin dat de kwantificeerbare som van de menselijke handelingen uitmaakt van goed of slecht is voor de samenleving.

Bij John Stuart Mill – puur toeval dat we hem als eerste liberale denker bespreken – valt er echter een kentering te bespeuren. Hoewel Mill, als leerling van Bentham, inderdaad nog steeds het utiliteitsprincipe met hand en tand verdedigt, merkt Mill op dat een louter kwantificeerbare benadering van dit beginsel onmogelijk is. Mill voert daarentegen een kwalitatief onderscheid in de classificatie van verschillende vormen van genot. Er zijn immers ‘hogere’ en ‘lagere’ vormen van genot, bijvoorbeeld intellectuele versus louter fysieke bevrediging. Dit heeft Mill ertoe verleid te stellen dat het beter is een ongelukkig mens te hebben dan een bevredigd varken.

De kentering ligt er in dat Benthams act-utilitarisme – die louter kwantitatief van aard was – wordt omgezet in een regelutilisme, dat stelt dat handelen conform het (kwalitatief) utiliteitsprincipe tot een algemene regel moet worden verheven. Niettemin blijven er nog steeds ernstige sporen van de aanvankelijke Benthamiaanse positie overeind: zo stelt Mill dat de algemene utiliteitsregel van toepassing is op de gehele samenleving, en dat het geluk derhalve aan een ‘zo groot mogelijk aantal personen’ moet toekomen. Is dit niet in tegenspraak met Mills ‘kwalitatieve’ wende in zijn benadering van het utilitarisme, die in feite de onmogelijkheid van een soort ‘maatschappelijke rekenkunde’ met zich meebracht? Het klopt inderdaad dat Mills ethiek, en tevens Mills liberalisme, nogal dubieus wordt om te definiëren. We nemen als voorbeeld Mills beroemde harm principle, dat Mill formuleerde in zijn essay On Liberty uit 1859. Naar het schadeprincipe wordt zeer gretig verwezen door zowel progressief- als klassiek-liberalen; omdat de ‘vooronderstellingsloze’ formulering ervan inderdaad een principe huldigt dat, normaliter, door iedere liberaal wordt verdedigd: niemand heeft het recht om andermans vrijheid in te perken, indien de uitoefening van zijn vrijheid die van anderen niet schaadt. Met de formulering van het harm principle wilde Mill paal en perk stellen aan allerlei vormen van paternalisme die inbreuk maken op de menselijke individuele vrijheid. Toch is er een zekere schemerzonde verbonden aan het Mills verwoording ervan: dat de grenzen van jouw vrijheid reiken tot waar die van iemand anders beginnen is voor Mill immers slechts de uitkomst van een utilistische calculus, en niet gegrondvest in een of ander onveranderlijk natuurrecht of in een categorische imperatief. Bijgevolg wordt het schadebeginsel door Mill soms ook geformuleerd als de morele plicht om zo te handelen dat anderen geen schade ondervinden van jouw handelen, met dien verstande dat wanneer – door utiliteitscalculus! – zou blijken dat de ander minder ‘utiliteit’ (of: schade!) zou verkrijgen door jouw niet-handelen; je volgens Mill wel degelijk verplicht bent die handeling toch te stellen. Op die manier koppelt Mill dus positieve rechten aan het schadebeginsel: zo is het volgens Mill in strijdt met het schadebeginsel om een kind dat in het water verdrinkt, niet te redden. Dit is natuurlijk een misschien wat triviaal voorbeeld, en wellicht zullen velen onder u gechoqueerd te horen dat vele verdedigers van het klassiek-liberalisme inderdaad menen dat iemand nooit (zeker niet juridisch) verplicht kan worden om dat kind te redden. Want waar ligt dan de grens aan de idee van positieve rechten? Zijn we dan, naar analogie, ook verplicht om een dakloze onderdak te bieden, een hongerige wat te eten aan te bieden, enz. ? Voor Mill bleek het alleszins onmogelijk om de grens precies te trekken, wat dus maakt dat de aanvankelijke klassiek-liberale formulering van het schadebeginsel uitmondde in een zogenaamd ‘progressief-liberalisme’ , waarvan Mill de stichter was, en stelt dat een individu maar vrij kan zijn indien ‘de samenleving’ – het geheel van individuele entiteiten – hem ook bepaalde (sociaal-economische) rechten verleent.

Niettemin zijn er ook, vooral in de 20ste eeuw dan, klassiek-liberale verdedigers van het utilitarisme geweest. De voornaamste onder hen is, naar onze mening, de Oostenrijkse econoom Ludwig von Mises (1881 – 1973), tevens stichter van de zogenaamde Oostenrijkse economische School. Vanuit het principe van die Oostenrijkse School is ‘waarde’ steeds subject-gerelateerd, en kan het dus onmogelijk worden gekwantificeerd; laat staan op maatschappelijke schaal worden berekend. Op die manier verlaat Mises expliciet het paradigma van Bentham dat nog stelde dat ‘nut’ op een ‘maatschappelijk’ niveau kon worden berekend. Waarde is en blijft steeds gerelateerd aan het subject.

Mises gaat er echter wel vanuit dat ieder mens zijn persoonlijke, materiële situatie zal proberen te verbeteren; en economische vrijheid speelt hierbij volgens Mises dan ook een sleutelrol. Het is immers enkel in een economisch vrije samenleving waarin private eigendomsrechten gewaarborigd zijn, dat menselijke welvaartsmaximalisatie – conform de methodologie van de Oostenrijkse School blijft dit voor Mises echter een onbekende x – zich kan manfisteren, zoals Mises had proberen aan te tonen in 1920 bij de publicatie van zijn essay “Economische Calculatie in de Socialistische Samenleving”[4]. Mises’ liberalisme vloeit dus rechtstreeks uit zijn economisch denken: “Liberalism is a doctrine directed entirely towards the conduct of men in this world. In the last analysis, it has nothing else in view than the advancement of their outward, material welfare and does not concern itself directly with their inner, spiritual and metaphysical needs. It does not promise men happiness and contentment, but only the most abundant possible satisfaction of all those desires that can be satisfied by the things of the outer world.” (Ludwig von Mises, Liberalism, p. 4)

Nog een groot verschilpunt met Bentham én Mill is dat voor Mises uiteindelijk het individu de toetssteen vormt van zijn utilitaristisch denken: het is enkel zijn persoonlijk geluk dat moet worden ‘gemaximaliseerd’, en niet dat van de samenleving of wie anders dan ook. Op die manier verwerpt Mises dan ook de idee van ‘positieve rechten’, zoals die door Bentham en vooral Mill werden geformuleerd. In Mises’ visie wordt het utilitarisme dan ook omgebogen van een act-utilitarisme zoals Bentham en deels nog Mill voorstonden, naar een regel-utilitarisme: het volstaat niet, en het is zelfs onmogelijk, om een mathematische calculus te maken van diverse subjectieve preferenties. Vandaar dat het Misesiaans utilitarisme stelt dat welvaartsmaximalisatie een algemene regel is die, teneinde het persoonlijk geluk te bevorderen, kan en mag worden gevolgd. Het berust op de hypothetische assumptie dat als je geïnteresseerd bent in het maximaliseren van je eigen (materiële) welvaart, dat je dan andermans persoonlijke eigendomsrechten moet respecteren; omdat het slechts in een vrije markt waarin eigendomstitels worden verhandeld zo is dat die welvaart kan worden gemaximaliseerd. Uiteraard kunnen er vanzelfsprekend serieuze vraagtekens worden geplaatst bij het (Misesiaanse) utilitarisme, waarbij vooral de (hedendaagse) liberale natuurrechtsdenkers opvallende critici zijn.

III. HET LIBERALISME VANUIT POLITIEK OOGPUNT

III.1. Het klassieke en middeleeuwse natuurrecht

In de rechtsfilosofie wordt het natuurrecht vaak in contrast geplaatst met het positieve recht. Het laatste is het “recht” zoals we dit in codificaties, wetboeken, grondwetten, internationale verdragen, enz. Het positieve recht is derhalve louter gestoeld op conventie: een heerser, vorst, staat,… vaardigt een bepaalde wet uit die welbepaalde positieve rechten – van het Latijnse ponere: stellen, plaatsen,… - verleent aan zijn onderdanen; behorende tot deze of gene gemeenschap of staat. Het feit dat het positieve recht conventioneel is, betekent echter ook dat het op eender welk ogenblik terug kan ingetrokken of gewijzigd worden.

Maar indien het positieve recht conventioneel is, betekent dit dan dat er geen enkel niet-contingent rechtsbegrip in de wereld bestaat dat onveranderlijk is? Bestaan er algemeengeldende principes die het recht ook effectief rechtvaardig maken? Bestaat er een onderscheid tussen de positieve wet en een onveranderlijk recht; dat recht genoemd dient te worden zelfs wanneer de positieve wet niet meer bestaat? Deze gedachte werd reeds in de Griekse Oudheid naar voren geschoven door de tragedieschrijver Sophokles (496 – 406 v. Chr) in diens Antigone: het verhaal vertelt over Eteokles en Polyneikes, twee broers die streden om de troon van Thebe, maar uiteindelijk beiden het leven in de strijd. Creon, de nieuwe koning van Thebe, beveelt dat Eteokles een plechtige begrafenis met de nodige sacrale luister krijgt, maar dat het dode lichaam van Polyneikes – die als landverrader werd beschouwd – op het slagveld moet blijven liggen, zodat het geleidelijk aan verteerd zou worden door insecten, wormen en roofvogels. Antigone, de zus van Polyneikes, staat er echter op dat zijn lichaam plechtig wordt begraven, omdat een ‘hogere en goddelijke morele wet’ haar dit verplicht te doen. Maar wat zal ze nu doen? Enerzijds is er die conventionele wet, zoals opgelegd door koning Creon (‘nomos’); anderzijds het natuurrecht dat haar dwingt een begrafenis voor haar overleden broer te organiseren (‘physis’). Antigone kiest voor dat laatste, wat haar vanzelfsprekend de furie van Creon oplevert.

Op meer filosofisch vlak is het natuurrecht, of vormen ervan, ondermeer verdedigd geweest door de sofisten en Aristoteles. De meest verhelderende bijdrage komt echter allicht van de Stoïcijnen (Zeno van Citium, Seneca, Cicero,…). Het Stoïcijnse natuurrecht is rechtstreeks gebaseerd op haar kosmogonie: volgens de Stoa is de kosmos een geordend mechanisme dat doordesemd is van het ‘pneuma’, het ‘vuur’ of de ‘levensadem’ die de wereldorde beheerst, en onveranderlijke wetmatigheden aan de kosmos oplegt. Ook de mensheid heeft volgens de Stoa deel aan die onveranderlijke wetmatigheid, waardoor de Stoa zich – allicht als eerste antieke wijsgerige stroming – opwerpt als verdediger van het kosmopolitisme: de wereldburger erkent het conflict niet als een rechtmatige daad, omdat dit indruist tegen de rede die de kosmos beheerst en begrijpt.

In de middeleeuwen wordt het natuurrecht, vanzelfsprekend, expliciet met een christelijk-theologisch jasje gestoken. Volgens Thomas van Aquino (1225 – 1274) kan de rede de principes van het natuurrecht achterhalen, maar gezien niet alle mensen over eenzelfde feilloos gebruik van hun redelijke vermogens beschikken, zijn deze principes geopenbaard in de Decaloog van Mozes. Thomas maakt hier onderscheid tussen de lex naturalis en de lex humana. Toch is de natuurwet in de thomistische traditie geen welomlijnd, afgesloten systeem: zij stelt dat de mens verplicht is het goede te doen en het slechte te mijden, maar wat die twee begrippen nu precies inhouden, kan niet uit deze formule worden afgeleid. Vandaar dan ook dat aan de menselijke wet een zeer ruime plaats wordt geboden.

III.2. Het moderne natuurrecht

Het moderne natuurrechtsdenken valt min of meer samen met de pogingen die in de Moderne Tijd werden geleverd om de wereldlijke macht te legitimeren. Deze drang tot legitmatie hing immers samen met de gestaag groeiende macht van de wereldlijke overheid, ten nadele van de Kerk, vanaf de 14de eeuw. Immers, macht hebben is één ding, maar die macht ook effectief omzetten in gelegitimeerd gezag een ander. Vandaar dat voor het eerst de idee van een wereldlijk ‘bonum commune’ terug op het voorplan werd gesteld door de moderne natuurrechtsdenkers, i.e. de bescherming het persoonlijke lijf en leed tegen de allesverslissende oorlog van allen tegen allen. Deze gedachte is inderdaad typisch gelinkt aan de filosoof Thomas Hobbes, die in de vorst de sterfelijke God zag om de mens voor zijn medemensen te beschermen.

De reden waarom Hobbes echter vaak niet wordt opgenomen in het canon van het liberalisme, is omdat bij Hobbes de idee van subjectieve rechten nagenoeg onbestaande is. Hobbes’ voert immers een quasi-consequentialistisch pleidooi door te stellen dat de natuurtoestand moet worden opgeheven, omdat anders alle vormen van kennis, kunde, economie,… onbestaande zullen blijven.

Het is pas bij John Locke (1632 – 1704) dat die idee van subjectieve rechten zou opduiken; ofschoon het Lockeaanse natuurrecht – in tegenstelling tot Hobbes – niet in seculiere termen wordt uitgedrukt. Daarentegen maakt Locke in de Two Treatises of Government veelvuldig gebruik van theologische verwijzingen. De aarde, door God geschapen, wordt in ‘bruikleen’ gemeenschappelijk aan de mensheid geschonken. Maar de mens kan deze aardse goederen ook tot de zijne maken, door zijn arbeid hiermee te vermengen. Het aanvankelijke ‘goederencommunisme’ dat door God werd ingesteld wordt op die manier opgeheven: door de toevoeging van arbeid aan de onbepaalde materie, maakt de mens dat welbepaalde goed tot het zijnde (‘homesteading’). Locke voegt hier niettemin twee voorwaarden aan toe: vooreerst mag men maar zoveel goederen eigen maken, zolang generaties die na jou volgen ook voldoende reserves ter beschikking hebben om zelf aan homesteading te doen. En ten tweede blijft ook de homesteader uiteindelijk niets anders dan een vruchtgebruiker: de uiteindelijke eigendomstitel blijft nog steeds in handen liggen van God.

Tot slot is ook de figuur van Immanuel Kant (1724 – 1804) onontbeerlijk in ons overzicht. De kantiaanse ethiek staat geboekstaafd als een plichtsethiek: een morele handeling is volgens Kant maar moreel te noemen wanneer deze niet door een of andere drijfveer, maar om plicht omwille van de plicht wordt uitgevoerd. Op die manier komt Kant via een nogal gecompliceerde filosofische redenering die we hier wegens plaatsgebrek niet verder zullen verhelderen tot de formulering van de Categorische Imperatief: handel steeds zo dat jouw maxime (een handeling) tot algemene wet zou worden verheven.

Aldus is de Categorische Imperatief louter een formeel criterium om een handeling als ‘moreel’ of ‘goed’ te bestempelen. Maar volgens Kant heeft deze ook politieke consequenties die leiden tot een materiële (substantiële) normatieve ordening. Immers, er bestaan volgens Kant rechten die mij a priori toekomen, zijnde mijn persoonlijke vrijheid en de vrijheid-in-gelijkheid die ik met anderen deel op intersubjectief niveau. Uit die vrijheid vloeit ook een noodzakelijk recht op private eigendom, volgens Kant. Indien dit eigendomsrechten immers zou worden ontkend, dan is de persoonlijke vrijheid (die Kant situeert in het rechtmatig gebruik van de eigen praktische rede!) in tegenspraak met zichzelf, want dan zou er geen enkele vorm van uiterlijke vrijheid nog mogelijk zijn. Aldus is het recht op private eigendom eveneens met apodictische zekerheid geldig. Het is dan ten slotte aan de staat om die rechten te vrijwaren.

III.3. Het hedendaagse natuurrecht

Kunnen het klassieke, middeleeuwse en het moderne natuurrecht nog gelezen worden als pogingen om het wereldlijke gezag en de positieve wet een legitieme grond aan te bieden, dan wordt binnen de liberale traditie deze poging expliciet verlaten in het hedendaagse natuurrecht. Voor hedendaagse natuurrechtsdenkers als Murray N. Rothbard, Hans-Hermann Hoppe en Frank van Dun vormen de begrippen recht en staat niet meer of niet minder dan een contradictie. Die visie vloeit voort uit de harde realiteit van de geschiedenis dat alle pogingen om zogenaamde minimale nachtwakersstaten die slechts menselijke vrijheid, private eigendommen en de naleving van verbintenissen dienden te waarborgen, mislukt zijn. Stelden moderne natuurrechtsdenkers zoals Locke en Kant nog dat er slechts zoveel natuurlijke vrijheid aan de staat moet worden afgedragen als nodig om een vrije samenleving te waarborgen, dan menen de hedendaagse natuurrechtstheoretici dat het simpelweg naïef is te denken dat men zomaar een luciferdoosje aan een peuter kan geven, zonder dat deze op zeer korte termijn het hele gebouw in lichterlaaie zet.

Bovendien waren klassieke en moderne natuurrechtsdenkers veelal vaag in hun omschrijvingen over welke individuele rechten mensen nu zoal zouden beschikken, en vooral wat de geijkte methode is om tot een deductie van die rechten te komen. Vaak werd hiervoor beroep gedaan op metafysische en theologische vooronderstellingen die echter hun geldigheid maar behielden zolang de redenering geschiedde binnen het paradigma van deze of gene natuurrechtstheorie. Hedendaagse natuurrechtsdenkers – in het bijzonder Hoppe en Van Dun – hebben echter gepoogd om dit methodologische euvel te overkomen door het natuurrecht te gronden in een strenge wetenschap, namelijk de argumentatie-ethiek.

De argumentatie-ethische benadering gaat ervan uit dat we intersubjectieve normen slechts kunnen opstellen middels de redelijke dialoog. De term is misschien wat misleidend, omdat het hier geen effectieve dialoog met de gehele mensheid betreft (dit wordt door o.m. Frank van Dun het consensusmodel genoemd, welke stelt dat een norm pas gerechtvaardigd is wanneer zij de goedkeuring draagt van iedereen, wat echter een schier onmogelijke taak is), maar wel een demarcatiecriterium die kan uitmaken welke normen wél of niet rechtsgeldig zijn. Volgens Van Dun wordt iedere mogelijke dialoog immers gekenmerkt door de menselijke redelijkheid: wij behoren ons redelijk gedragen, wat – kort gezegd – betekent dat wij bijvoorbeeld steeds de waarheid dienen na te streven, wat op zijn beurt een respect voor de wetten van de logica en enkele metafysische principes (zoals het identiteitsbeginsel: A = A) inhoudt. Op die manier reveleert enkel het klassiek-liberaal principe van individueel zelfbeschikkingsrecht zich als een rechtsgeldig principe[5].

IV. HET SOCIAAL CONTRACT: JOHN RAWLS

Indien John Rawls (1921 – 2002) kan gerekend worden tot de liberale familie, hebben we alleszins met iemand te maken die we veeleer bij het ‘progressief’ of ‘links’ liberale kamp kunnen plaatsen, en na een overzicht van Rawls’ denken in vogelvlucht, zal de lezer het wellicht niet verbazen dat Rawls zeker een haast even grote invloed heeft uitgeoefend op het sociaal-democratisch gedachtegoed. Voor Rawls staat immers terug de problematiek van sociale rechtvaardigheid op de voorgrond. Deze problematiek volgt voor Rawls echter niet vanuit een obsessioneel marxistisch uitgangspunt van een sociaal-economisch gelijkheidsstreven, maar heeft wel degelijk het individu, als drager van bepaalde rechten, als uitgangspunt.

Rawls’ politieke filosofie start immers wel degelijk met het liberty principle , dat stelt dat eenieder het recht op bepaalde persoonlijke en politieke vrijheden heeft. Dit principe is voor Rawls het eerste principe van rechtvaardigheid. Maar er is ook een tweede rechtvaardigheidsprincipe, namelijk het verschil-principe (difference principle) . Dat stelt dat sociaal-economische ongelijkheden in een samenleving toegelaten zijn, indien zij ten bate zijn van de minder bedeelden in de samenleving (maximin-principe) .

Men kan zich nu natuurlijk wel afvragen waarom Rawls zoveel belang hecht aan aan het principe van een rechtvaardige verdeling. Hiervoor introduceert Rawls de idee van een sluier van onwetendheid en de originele positie: vanuit deze positie zouden we, hypothetisch, niet weten met welke gaven en kansen we zouden worden geboren. We zouden geen weet hebben in wat voor een soort familie we zouden worden geboren, noch iets weten over onze fysieke en mentale gezondheid, enz. Vanuit deze hypothese, aldus Rawls, moeten we zien hoe we de wereld zouden kunnen inrichten opdat we, zelfs wanneer we in barslechte omstandigheden ter wereld zouden komen, toch nog over voldoende startkansen en middelen (‘primary goods’) zouden beschikken. Vandaar dat we in deze bijdrage enkel de naam van Rawls – en niet die van Locke of Kant – verbinden met die van het sociaal contract; omdat de Rawlsiaanse staatsopvatting niet langer meer die van een nachtwakersstaat is, maar die van een verzorgingsstaat die zich ook inlaat met een zogenaamde billijke verdeling van bepaalde schaarse goederen.

V. TRADITIONALISME EN LIBERALISME: F.A. HAYEK

We hebben in onze inleiding gewezen op de dichotomie tussen ‘Angelsaksische’ en ‘continentale’ benaderingen van het liberalisme. Hoewel deze tweespalt niet volledig is om een totaalbeeld van het liberale denken te krijgen, is zij wel nuttig om het liberalisme van Friedrich von Hayek (1899 – 1992) mee aan te duiden. Hayek schrijft zich immers volledig in de zogenaamde ‘common sense’-traditie van Verlichtingsdenkers als Adam Ferguson en David Hume, die stelden dat het recht een product is dat via een methode van proberen, falen en slagen tot stand komt. Een typevoorbeeld is het Engelse common law-systeem, dat niet door bepaalde apriorische normen van goed en kwaad tot stand is gekomen, maar net zeer gestaag en organisch gegroeid is doorheen de geschiedenis.

Volgens Hayek is het immers onmogelijk om een soort van apriorisch rechtssysteem met het oog van de rede uit te spinnen: het recht toespitsen op één welbepaald Archimedisch punt, en daaruit allerlei normen deduceren, botst immers met het kennisprobleem. Het is een onmogelijke taak om diverse subjectieve voorkeuren en referenties in één welbepaald institutioneel kader te steken, en dit geldt voor Hayek dus ook voor het recht. Vandaar dat Hayek het recht dus inderdaad ziet als een organisch gegroeid geheel; een resultate van een spontane orde (‘spontaneous order’). In zijn rechtstheoretisch hoofdwerk Law, Legislation and Liberty (1973) voert Hayek dan ook een onderscheid tussen taxis en cosmos: het eerste is het geheel van ‘gecreëerd’ of ‘intentioneel door mensen opgericht’ recht; dat zich uit in diverse vormen van rechtelijke en politieke instituties; de tweede term verwijst naar een soort van cultuurrecht (in feite: gewoonterecht) dat doorheen de loop van de geschiedenis is ‘gegroeid’. Het liberale denken van Hayek toont dus ook duidelijke verwantschappen met het conservatisme, in de traditie van de Ierse filosoof Edmund Burke (1729 – 1797).


VI. DEUGDETHISCHE PARADIGMA’S BINNEN HET LIBERALISME

De deugdethiek heeft binnen het liberalisme slechts vanaf de 20ste een sterke opleving gekend, in het bijzonder door de werken van de Russisch-Amerikaanse filosofe Ayn Rand (1905 – 1982) . Binnen de algemene wijsgerige traditie wordt het concept van de deugdethiek nog steeds het meest gelinkt met Aristoteles. De Randiaanse invulling van dit begrip is echter, op zijn zachtst gezegd, nogal deviant te noemen van de aanvankelijke Aristotelische formulering.

Zowel bij Aristoteles als bij Rand zijn ‘het ethische’ en ‘het politieke’ twee begrippen die in elkaars vaarwater liggen. Dit komt omdat, zeker bij Aristoteles, zowel het ethische als het politieke (‘het leven in de polis’) in elkaars vaarwater liggen: zij zijn gefundeerd op een zogenaamde brede invulling van het ethische, wat betekent dat de ethiek niet fungeert als loutere conflictbeheersing (= de politieke benadering van het moderne en hedendaagse natuurrechtsdenken) , maar is gesitueerd in een breder ‘telos’ of doel: ethisch leven, is steeds leven in een bepaalde gemeenschap, en in overeenstemming met de rede die tot een deugdzaam leven leidt. Het is enkel op die manier, aldus Aristoteles, dat een goed leven – of eudaimonia – kan geschieden.

De klassieke Aristotelische variant van de deugdethiek lijkt dus zeer sterk anti-liberaal te zijn. Het individu wordt er immers ondergeschikt gemaakt aan de gemeenschap, en kan zelfs maar een volmaakt leven leiden in en bij gratie van die gemeenschap.

Rand keert echter die orde volledig om. Volgens haar ligt een moreel leven inderdaad besloten in een leven volgens de rede. Maar de rede laat de mens echter voor twee fundamentele keuzes: leven of niet leven. Slechts wie kiest om te leven, kiest volgens Rand voor een leven in overeenstemming met de rede. Dat leven kan echter alleen maar geschieden in een kader van een moreel egoïsme, i.e. door een radicale vorm van zelfbevestiging door het verwerven van eigendom. Rand verwerpt hierbij ook expliciet iedere vorm van altruïsme, dat zij ziet als een vorm van leven voor anderen in plaats van voor zichzelf ziet. Toch moeten hierbij twee bedenkingen worden geformuleerd: ten eerste maakt (zelfs) Rand een onderscheid tussen egoïsme en zelfzucht, waarbij het laatste verwijst naar een blinde drang om zichzelf te bevestigen, ook wanneer dit ten koste gaat van anderen. Het is dus wel degelijk het concept van rationeel egoïsme, dat minder verregaand is, dat Rand verdedigt. Ten tweede ziet Rand – conform haar Objectivistische[6] principes – de rationele zelfbestendiging als een objectief gebeuren. Dit betekent dat er dus ook objectieve principes zijn waaraan het menselijke egoïsme moet voldoen. Zo verwerpt Rand iedere vorm van hedonisme, omdat de hedonist niet ten volle zijn menselijke, rationale capaciteiten benut.

Het hoeft quasi geen betoog dat Rands ethiek uitmondt in een politieke filosofie waarin vooral het kapitalisme verdedigd wordt; als intersubjectief systeem om de eigen zelfbestendiging te kunnen realiseren.

Andere liberale vertegenwoordigers van de deugdethiek vinden we in de hedendaagse filosofen Douglas Rasmussen en Douglas Den Uyl. Zij schrijven zich veeleer in de oorspronkelijke Aristoteltische traditie, en menen dat het politiek liberalisme fungeert als een set van zogenaamde metanormen die de individuele eudaimonie (wat beide auteurs aanduiden met ‘human flourishing’) ten opzichte van die van anderen regelt. Terwijl de ethiek dus wel degelijk normatief is ten aanzien van het individuele sollen, is de politiek dit niet: zij vormt slechts een metanormatief kader, en derhalve is het liberalisme geen ethisch, maar een politiek-filosofisch paradigma.



[1]

[1] Ik gebruik dit voorbeeld niet geheel toevallig. Zo is het Franse woord voor dakvenster – ‘un vasistas’ – ontleend aan het Duits. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog van 1870-71 vroegen Duitse soldaten die door de straten van Parijs marcheerden verwonderd “Was ist das?” , hierbij wijzend naar een doorschijnend venster boven de voordeur van een huis waardoor de binnenverlichting van het huis te zien was. Dit ornament – dat vaak terug te zien is aan (heren)huizen in Belle Epoque-stijl – was echter volledig onbekend in (Noord-)Duitsland. Alleszins, in het hedendaagse Franse taalgebruik wordt een vraag naar de quiditas van een bepaald iets, uiteindelijk met identiek dezelfde vraag beantwoordt, wat de primordialiteit van conceptueel onderzoek des te meer in de kijker zet.

[2] De filosofisch getrainde lezer zal allicht begrepen hebben dat we hier expliciet doelen op het begrip 'familiegelijkenis' (Familienähnlichkeit), zoals dit ook gebruikt werd door de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889 – 1951) in diens latere werk over 'taalspelen'. Wittgenstein doelde hiermee op de onvolledigheid van de (menselijke) taal om over bepaalde zaken volledige en sluitende definities te geven. Daarentegen duidt een bepaald concept slechts een gedeelte van die werkelijkheid aan, en kan maar middels vergelijking en analogie worden vervolledigd, zoals leden van een familie wel bepaalde trekken van elkaar hebben, maar toch niet identiek aan elkaar zijn.

[3] Vooral de eerste fase van de Franse Revolutie, die liep van de zogenaamde Eed op de Kaatsbaan in juni 1789, waarbij de Derde Stand zichzelf tot nieuwe Nationale Volksvergadering uitriep, tot en met de machtsovername door de Jakobijnen vanaf de zomer van 1792, kan bestempeld worden als een relatief ‘liberale’ fase; in die zin dat de ideeën over de algemene volkssoevereiniteit – à la Rousseau – toen nog geen grote furore maakten.

[5] Zie Frank van Dun, “Vrijheid, Argumentatie en Contract”, http://rothbard.be/artikels/77-vrijheid-argumentatie-en-contract voor een uitgebreidere uiteenzetting op de methode en het doel van de argumentatie-ethiek

[6] Het Objectivisme is een filosofische stroming gesticht door Ayn Rand, en voor een zeer groot stuk schatplichtig aan de filosofie en metafysica van Aristoteles.